Alle soorten › Zangvogels › Pitta's › Angolapitta

Angolapitta | Pitta angolensis

African Pitta | Pita Angoleña

De Angolapitta is een gedrongen, kortstaartige bosbodemvogel met een bijna onwaarschijnlijk kleurenpalet: groene rug, turkooisblauwe vleugelvlekken en een karmijnrode buik. Hij leeft verborgen in dicht struikgewas en wordt vooral in het begin van het regenseizoen opgemerkt, wanneer het mannetje bij dageraad zijn baltssprong met een kikkerachtige roep uitvoert.

Angolapitta (Pitta angolensis)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de balts een korte, diepe en kikkerachtige frrrup of prrrt, gegeven terwijl het mannetje van een tak opspringt met snorrende vleugels en weer terugvalt; bij dageraad en in de schemering, soms ook op bewolkte dagen. Verder een zacht, ingehouden kwee als contactroep.

Luister: ZangXC745570

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, rond van vorm met een zeer korte staart, een stevige snavel en lange, vleeskleurige poten. De kruin en een brede oogstreep zijn zwart, gescheiden door een brede goudbeige wenkbrauwstreep. De keel is wit met een roze zweem, de borst warm okerbeige en de buik en onderstaartdekveren helder karmijnrood. Rug en schouders zijn grasgroen; op de vleugeldekveren en de stuit zitten glanzende turkooisblauwe vlekken. In de vlucht valt een witte vlek aan de basis van de zwarte handpennen op. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een roze in plaats van rode buik.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied is geen andere pitta bekend en is verwarring bij een goede blik uitgesloten. Een vogel die wegfladdert door het struikgewas kan kort aan een lijster of aan de bruinkopnicator Nicator gularis doen denken, maar de gedrongen vorm zonder staart, de witte vleugelvlek en het rood onder de staart zijn kenmerkend.

Leefgebied

Dicht laaglandbos, droog struikbos en rivierbegeleidend bos met een laag bladerdak en veel strooisel op de bodem, zoals de thickets van de Zambezi- en Luangwavallei en kustbossen in Mozambique. Foerageert op de grond door bladeren om te woelen, en neemt vooral slakken, regenwormen, termieten en keverlarven. Nestelt in de regentijd in een slordige koepel van takjes in een struik of lage boomvork.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het noorden en oosten van het gebied: Zambia (vooral Luangwa- en Zambezivallei), Malawi, het midden en noorden van Mozambique, de Zambezivallei in Zimbabwe en het noordwesten van Angola, waar ook een standvogel voorkomt. Zeldzaam en onregelmatig verder zuidwaarts in Zimbabwe en Mozambique; als dwaalgast bekend uit het noordoosten van Zuid-Afrika en zelfs de Oost-Kaap. Buiten het gebied van West-Afrika tot Oost-Afrika; de zuidelijke broedvogels trekken in de droge tijd naar Tanzania en Oost-Congo.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem van november tot januari, direct na de eerste zware regens, in de Zambezivallei (Mana Pools, onderste Zambezi) of het Luangwa-dal. Luister bij het eerste licht naar de baltsroep en naderhand naar het geritsel van bladeren; ga dan stil zitten, want de vogel blijft vaak minutenlang op één lage tak zitten. Buiten het baltsseizoen is hij bijna onvindbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gebied schaars en sterk afhankelijk van ongestoord dicht struikbos. Kappen en afbranden van thickets in de riviervalleien zijn de belangrijkste lokale bedreigingen. Trekkende vogels vliegen 's nachts en komen soms om tegen verlichte gebouwen.

Wetenschappelijke naam

Pitta angolensis | Vieillot, 1816

Vieillot beschreef de soort in 1816 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pitta voerde hij in datzelfde werk in. Pitta is een woord uit het Telugu (Zuid-India) voor 'klein vogeltje'. angolensis betekent 'van Angola', waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.