Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Archers frankolijn

Archers frankolijn | Scleroptila gutturalis

Orange River Francolin | Francolín del Orange

Archers frankolijn is de rode-vleugelfrankolijn van de drogere graslanden en grazige savannen van het westelijke binnenland, van het Hoogveld tot de Kalahari en de Namibische hooglanden. Paren en kleine groepen leven verborgen in hoog gras en verraden zich vooral door hun roep bij zonsopgang.

Archers frankolijn (Scleroptila gutturalis)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ritmisch, herhaald kibitele-kibitele of kwee-kwee-kwiekirrie, vooral in de eerste uren van de dag vanaf een termietenheuvel of graspol; buren antwoorden elkaar. Bij opvliegen een schel tsjik-tsjik.

Luister: RoepXC659043

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 34 cm, bleker en warmer gekleurd dan verwante soorten. De keel is helderwit en omrand door een smalle zwarte lijn die naar de hals toe in rossige vlekken overgaat. De kop heeft een roomwitte wenkbrauw- en baardstreep en een rossige oogstreek. De borst is lichtbruin met kastanjebruine vlekken, de buik bleek zandkleurig met weinig tekening. De bovendelen zijn zandbruin met zwarte en lichte strepen. In vlucht vallen de roodbruine handpennen op. De poten zijn geel. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De roodvleugelfrankolijn (Scleroptila levaillantii) van vochtiger, oostelijk grasland heeft een brede zwart-wit gespikkelde halsband over de bovenborst en een donkerder, meer gebandeerde onderzijde. De grijsvleugelfrankolijn (Scleroptila afra) heeft een grijs gespikkelde keel. Shelleys frankolijn (Scleroptila shelleyi) heeft eveneens een witte, zwart omrande keel, maar een opvallend zwart-wit gebandeerde buik en leeft in bosveld in het oosten.

Leefgebied

Open grasland en grazige savanne op zand of rood Kalahari-zand, met verspreide struiken, termietenheuvels en rotsige ruggen, ook braakland en graanakkers aan de rand van natuurlijk grasland. Scharrelt naar zaden, bollen, knollen en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika in de Vrijstaat, Noordwest, Gauteng, het westen van Mpumalanga en de Noord-Kaap, verder in het westen van Lesotho, in Botswana vooral in het zuiden en midden, en in de hooglanden van midden- en noord-Namibië tot in het zuidwesten van Angola. Buiten het gebied, afhankelijk van de taxonomie, in de graslanden van Oost-Afrika tot Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister bij zonsopgang langs zandwegen door het Vrijstaatse grasland of in de Centrale Kalahari naar het roepende mannetje op een termietenheuvel. Rij langzaam en zoek de wegranden af in het eerste uur na zonsopgang, wanneer paren het open terrein opzoeken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk teruggelopen door omzetting van grasland in akkerland en door zware overbegrazing, maar de soort blijft algemeen op grote veebedrijven en in beschermde gebieden. De taxonomie is in beweging: de zuidelijke vormen werden vroeger als afzonderlijke soort (Scleroptila levaillantoides) beschouwd.

Wetenschappelijke naam

Scleroptila gutturalis | (Rüppell, 1835)

Rüppell beschreef de soort in 1835 als Perdix gutturalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Scleroptila werd in 1849 ingevoerd door Blyth. Scleroptila komt van het Griekse sklēros, 'stijf', en ptilon, 'veer' — 'met stijve veren'. gutturalis is Latijn voor 'van de keel', van guttur 'keel', naar de opvallend getekende keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tigray, Ethiopië.