Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Grijsvleugelfrankolijn

Grijsvleugelfrankolijn | Scleroptila afra

Grey-Winged Francolin | Francolín Aligrís

De grijsvleugelfrankolijn is de frankolijn van de koele hooglanden en berggraslanden van Zuid-Afrika en Lesotho, een van de weinige hoendervogels die vrijwel geheel tot het gebied beperkt is. Groepjes houden zich schuil in kort gras en rotsige hellingen en vliegen pas op het laatste moment met veel lawaai op.

Grijsvleugelfrankolijn (Scleroptila afra)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, piepend en stijgend kwi-kwi-kwikkievie, vaak door meerdere vogels tegelijk in de schemering van ochtend en avond, over grote afstand hoorbaar op windstille bergflanken. Bij opvliegen een schril gekakel.

Luister: VluchtroepXC1078353

Opname: JJSUN — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 32 cm, compact en bruin, met fijn grijs en zwart gespikkelde keel en borst die van dichtbij een grijzig waas geven. De bovendelen zijn bruin met lichte schachtstrepen en zwarte vlekken, de buik is roomkleurig met kastanjebruine en grijze bandering. De kop heeft een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. In vlucht zijn de handpennen roodbruin met grijsachtige, gevlekte buitenvanen, zodat de vleugel doffer rood oogt dan bij verwante soorten. De poten zijn geel. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De roodvleugelfrankolijn (Scleroptila levaillantii) heeft een roomkleurige keel omzoomd door een brede zwart-wit gespikkelde halsband en veel feller rode handpennen. Archers frankolijn (Scleroptila gutturalis) van drogere westelijke graslanden heeft een witte keel met een dun zwart randje en een lichtere, meer zandkleurige onderzijde. De grijze keelspikkels zijn bij de grijsvleugelfrankolijn het beste kenmerk.

Leefgebied

Kort berggrasland, grazige rotshellingen en hoogvlakten met verspreide stenen, in het oosten tot boven 3000 m in Lesotho; in de West-Kaap ook fynbos, renosterveld en graanakkers. Scharrelt naar bollen, knollen, zaden en insecten en graaft met de snavel in de bodem. Gebruikt kort, pas afgebrand grasland graag.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Zuid-Afrika en Lesotho: van de Drakensberg en de Oost-Kaapse hooglanden over het oostelijke Hoogveld tot Mpumalanga, met een afzonderlijke populatie in de berggebieden en graanstreken van de West- en Noord-Kaap. Buiten het gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in de vroege ochtend over graslandhellingen in de Drakensberg of het oosten van de Vrijstaat en luister naar het koor van piepende roepen; een groep vliegt vaak vlak voor de voeten op. Na een veldbrand is de soort op het korte gras beter te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar de soort is afhankelijk van natuurlijk grasland en verdwijnt waar dat plaatsmaakt voor bosbouwplantages, akkers of zwaar overbegraasde weiden. Wordt als wild bejaagd; in de West-Kaap heeft de soort baat gehad bij graanteelt aan de rand van renosterveld.

Wetenschappelijke naam

Scleroptila afra | (Latham, 1790)

Latham beschreef de soort in 1790 als Perdix afra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Scleroptila werd in 1849 ingevoerd door Blyth. Scleroptila komt van het Griekse sklēros, 'stijf', en ptilon, 'veer' — 'met stijve veren'. afra is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.