Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Baardmanwever

Baardmanwever | Sporopipes squamifrons

Scaly-Feathered Weaver | Tejedorcito Escamoso

De baardmanwever is een piepkleine, grijsbruine wever van droge doornsavanne, met een roze snavel, een zwarte baardstreep en een zwart voorhoofd met witte schubjes. Hij leeft jaarrond in kleine groepjes die samen in slordige grasnesten overnachten.

Baardmanwever (Sporopipes squamifrons)
Foto: Stephen Temple from Cape Town, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, droog en zoemend tsjizz en een voortdurend gekwetter binnen de groep, vooral bij opvliegen. Het gezang is een eenvoudige, iets krassende reeks tjirpende noten.

Luister: ZangXC1177973

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10 tot 11 cm, gedrongen, met een korte, kegelvormige roze tot vleeskleurige snavel. Voorhoofd en voorkruin zijn zwart met witte schubvormige veerzomen, de rest van de kop en de bovendelen zijn zachtgrijsbruin. Een opvallende zwarte baardstreep loopt vanaf de snavelbasis langs de keel. Vleugels en staart zijn zwartachtig met brede witte randen aan de pennen, waardoor de vleugel geschubd lijkt. De onderdelen zijn wit tot lichtgrijs. De seksen zijn gelijk; jongen hebben een hoornkleurige snavel en een minder duidelijk getekend voorhoofd.

Verwarrings­soorten

De republikeinwever (Philetairus socius) is groter, met een zwarte kin- en keelvlek, een lichte hoornkleurige snavel en zwart-wit geschubde flanken, en leeft in grote kolonies in reuzennesten. Vrouwtjes van de huismus (Passer domesticus) en de Kaapse mus (Passer melanurus) zijn groter en missen de roze snavel en baardstreep. Op de grond, in groepjes, kan de soort op een kleine astrild lijken, maar de geschubde vleugels en zwarte baard zijn kenmerkend.

Leefgebied

Droge acaciasavanne, Kalahari-doornveld, struikrijke overgangen naar de karoo, droge rivierbeddingen, boerenerven en kampeerplaatsen. Foerageert op de grond naar grassen- en onkruidzaden en kan lang zonder drinkwater. Bouwt slordige, bolvormige grasnesten met een zij-ingang in doornige acacia's, die ook als slaapnest dienen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor het gebied: vrijwel heel Namibië op de kale Namib na, heel Botswana, het westen en zuiden van Zimbabwe, het noorden van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo, het westen van de Vrijstaat en Gauteng), het zuidwesten van Angola en het zuidwesten van Zambia. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kleine groepjes zitten vaak bij waterplaatsen en rond kampen in de Kalahari, Etosha en het Kgalagadi-park, waar ze vlak bij auto's naar zaad zoeken. Let op de roze snavel en de zwarte baardstreep; in vlucht vallen de witgerande vleugelpennen op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen binnen zijn droge areaal en zonder duidelijke achteruitgang. Profiteert lokaal van boerenerven en veedrinkplaatsen, waar zaad en water te vinden zijn.

Wetenschappelijke naam

Sporopipes squamifrons | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Estrelda squamifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporopipes werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Sporopipes komt van het Griekse sporos, 'zaad', en opipeuō, 'begerig naar iets staren' — Cabanis (1847) bedoelde een vogeltje dat 'naar zaad gluurt'. squamifrons is Latijn voor 'met geschubd voorhoofd', van squama, 'schub', en frons, 'voorhoofd' — naar de zwarte veertjes met witte randen op kruin en voorhoofd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika (niet nader bepaald).