Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Baglafechtwever

Baglafechtwever | Ploceus baglafecht

Baglafecht Weaver | Tejedor Baglafecht

De baglafechtwever is een wever van de Oost-Afrikaanse hooglanden die in het gebied alleen op en rond het Nyika-plateau voorkomt. Het mannetje heeft een zwart masker, een geel voorhoofd en een gele keel, en een bleek oog.

Baglafechtwever (Ploceus baglafecht)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, droge en krassende zang met sissende en ratelende elementen, tsjip-tsjip-tsjurrrr-tsjiep, en een scherp tsjik als contactroep. Paren houden vaak voortdurend contact.

Luister: DuetXC825135

Opname: Guilherme Melo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, met een krachtige zwarte snavel en een bleekgeel oog. Het mannetje heeft een zwart masker van de snavel door het oog tot over de oorstreek, een helder geel voorhoofd en voorkruin en een gele keel; de bovendelen zijn geelgroen met donkere streping, de onderzijde geel, naar de onderbuik lichter. Het vrouwtje heeft een groenere kruin, een zwakker of ontbrekend masker met donkere teugels, en verder hetzelfde patroon. De vogels op Nyika dragen jaarrond vrijwel hetzelfde kleed. Jonge vogels zijn doffer, met een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

Bertrams wever (Ploceus bertrandi) heeft bij het mannetje een zwarte kin en keel onder het masker en een zwarte vlek op het achterhoofd; het vrouwtje heeft een geheel zwarte kop. De brilwever (Ploceus ocularis) heeft slechts een smalle zwarte oogstreep, een fijnere snavel en een oranjegele kop. Mannetjes van de grote textorwever (Ploceus cucullatus) hebben een rood oog en een zwart gevlekte rug. De gele keel onder het zwarte masker en het bleke oog zijn doorslaggevend.

Leefgebied

Randen van afromontaan bos, struikgewas met adelaarsvaren en braam, beboste ravijnen en bosjes in montaan grasland, ook rond gebouwen en tuinen op het plateau, boven ongeveer 1800 meter. Leeft in paren en broedt solitair, met een los geweven nest in het gebladerte van een struik of boom. Eet insecten, zaden en vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op het Nyika-plateau en aangrenzende hooglanden in het noorden van Malawi en het oosten van Zambia (ondersoort nyikae). Een losse melding uit Namibië berust vrijwel zeker op een vergissing. Daarbuiten in de hooglanden van Oost-Afrika, van Tanzania en Kenia tot Ethiopië en Eritrea, en westelijk tot Oeganda, Oost-Congo, Kameroen en Nigeria.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het Nyika-plateau rond Chelinda en langs de bosranden en bosjes in het grasland. De vogels zijn vrij tam en laten zich goed bekijken; let bij elk masker op de keel: geel bij de baglafechtwever, zwart bij Bertrams wever, die lager op de hellingen voorkomt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid en plaatselijk algemeen in de Oost-Afrikaanse hooglanden. In het gebied is de populatie klein en beperkt tot het Nyika-plateau, dat grotendeels beschermd is als nationaal park.

Wetenschappelijke naam

Ploceus baglafecht | (Daudin, 1802)

Daudin beschreef de soort in 1802 als Loxia baglafecht; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus komt van het Griekse plokeus, 'vlechter, wever', naar het bolvormige, strak gevlochten nest waar wevers hun naam aan danken. baglafecht is Buffons naam 'le Baglafecht d'Abyssinie', vermoedelijk een verbasterde lokale Ethiopische naam; de precieze herkomst en betekenis zijn onbekend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ethiopië (niet nader bepaald).