Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Bertrams wever

Bertrams wever | Ploceus bertrandi

Bertram's Weaver | Tejedor de Malawi

Bertrams wever is een forse wever van bosranden en struikgewas in de bergen van Malawi en aangrenzende gebieden. Het mannetje heeft een zwart masker onder een geeloranje kruin, het vrouwtje een geheel zwarte kop; beide hebben een bleek oog.

Bertrams wever (Ploceus bertrandi)
Foto: Carlo — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een sissende, zoemende zang in typische weverstijl, tsjip-tsjip-tsjizzzz, en daarnaast korte, scherpe tsjik-contactroepen. Paren roepen vaak naar elkaar tijdens het foerageren.

Luister: ZangXC283258

Opname: Jason Anderson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 15 cm, fors en gedrongen, met een zware zwarte snavel en een bleekgeel oog. Het mannetje heeft een zwart masker over gezicht, kin en keel, een geeloranje voorhoofd en kruin en een kleine zwarte vlek op het achterhoofd; de rug is olijfgroen, de onderzijde helder geel. Het vrouwtje heeft een geheel zwarte kop en keel, verder een olijfgroene rug en gele onderdelen. De soort draagt jaarrond vrijwel hetzelfde kleed; jonge vogels zijn doffer, met een olijfgroene kop en een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

De baglafechtwever (Ploceus baglafecht) van het Nyika-plateau heeft een gele keel onder het zwarte masker, zonder zwarte kin en keel. De brilwever (Ploceus ocularis) is slanker, met een fijnere snavel, een smalle zwarte oogstreep (bij het mannetje met een zwart keelvlekje) en een bleek oog; het vrouwtje mist de zwarte kop. Mannetjes van de grote textorwever (Ploceus cucullatus) en de kleine textorwever (Ploceus intermedius) hebben een zwart gevlekte of groengele rug en broeden in kolonies. Het geheel zwarte hoofd van het vrouwtje is uniek onder de wevers van de Malawische hooglanden.

Leefgebied

Randen van afromontaan bos, struikgewas met adelaarsvaren en braam, beboste ravijnen, oeverbegroeiing en tuinen in de hooglanden, van ongeveer 800 tot 2400 meter; ook in hoger gelegen miombo. Leeft in paren en broedt solitair, niet in kolonies; het nest hangt vaak aan een tak boven een beek of pad. Foerageert in het gebladerte naar insecten en ook naar zaden en vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in de hooglanden van Malawi (van het Nyika-plateau en Viphya tot Dedza, Zomba, Thyolo en Mulanje), in het aangrenzende oosten van Zambia (Nyika, Makutu) en in de bergen van het noorden van Mozambique (Niassa, Zambezië). Meldingen uit Zimbabwe en Zuid-Afrika zijn niet bevestigd. Daarbuiten alleen in het zuidwesten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best op het Zomba-plateau, rond Mulanje en Thyolo en op het Nyika-plateau, langs bosranden en ruige tuinen. Let op paren die zich laag in het struikgewas ophouden; het vrouwtje met haar volledig zwarte kop is vaak eerder op naam te brengen dan het mannetje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen binnen zijn beperkte areaal. Het verlies van bosranden en montane begroeiing door ontginning kan lokale populaties treffen, maar de soort verdraagt tuinen en secundaire begroeiing.

Wetenschappelijke naam

Ploceus bertrandi | (Shelley, 1893)

Shelley beschreef de soort in 1893 als Hyphantornis bertrandi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus komt van het Griekse plokeus, 'vlechter, wever', naar het bolvormige, strak gevlochten nest waar wevers hun naam aan danken. bertrandi eert de Britse officier Bertram Lutley Sclater (1866–1897), zoon van ornitholoog Philip Lutley Sclater, die in Nyasaland (Malawi) diende toen Alexander Whyte de soort ontdekte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zomba, Malawi.