Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Barratts struikzanger

Barratts struikzanger | Bradypterus barratti

Barratt's Warbler | Zarzalero de Barratt

Barratts struikzanger is een donkere, heimelijke zanger van ruigte en varens aan de randen van bergbos in het oosten van het gebied, van de Oost-Kaap tot de hooglanden van Zimbabwe en Mozambique. Hij leeft vrijwel onzichtbaar laag in de vegetatie en wordt bijna altijd aan zijn zang gevonden.

Barratts struikzanger (Bradypterus barratti)
Foto: Alandmanson — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met enkele hoge, dunne tonen, tsiep-tsiep-tsiep, gevolgd door een snelle, droge en ratelende reeks, tsjrrp-tsjrrp-tsjrrp-trrrr, soms als duet. Zingt vooral in het voorjaar en de zomer, vanaf een verscholen plek laag in struiken of varens. Roep een hard tsjek en een ratelend alarm.

Luister: ZangXC952737

Opname: Jenny Sharland — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 cm, met korte, ronde vleugels en een vrij lange, brede, afgeronde staart. De bovendelen zijn egaal donker warm- tot olijfbruin. Een smalle, vuile wenkbrauwstreep is zwak. De keel en borst zijn vuilwit tot bleekgeel met duidelijke, donkere streepjes, de flanken olijfbruin tot warm geelbruin, de buik lichter. De snavel is donker, de poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn geliger van onderen met minder duidelijke streepjes. Scharrelt over de grond en door dichte ondergroei.

Verwarrings­soorten

De Kaapse struikzanger Bradypterus sylvaticus is egaler, met slechts vage vlekjes op de borst en een andere, versnellende zang die in een droge triller eindigt; hij leeft langs de zuidkust. De moerasstruikzanger Bradypterus baboecala leeft in riet en natte ruigte, niet in bos, en zingt een versnellende reeks met vleugelklappers. De Kameroenstruikzanger Bradypterus lopezi is ongestreept en roodbruiner, en komt alleen in het noorden van het gebied voor. De krekelzanger Locustella fluviatilis is een zomergast van laaglandstruweel, met een geschubde onderstaart en een zoemende, mechanische zang.

Leefgebied

Dicht, ruig struweel met braam, varens en hoog gras aan de randen van afromontaan bos, in beboste kloven en langs bergbeken, ook in dennen- en eucalyptusaanplant met dichte ondergroei. In de winter deels in lager gelegen bosranden en kloven. Foerageert op en vlak boven de grond op insecten en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het oosten van Zuid-Afrika, in de Amatolabergen van de Oost-Kaap, de middellanden en de voet van de Drakensberg in KwaZoeloe-Natal, de randen van Lesotho, Eswatini, de escarpment van Mpumalanga en Limpopo tot de Wolkberg en de Soutpansberg, en verder in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe en de aangrenzende bergen van Mozambique, zoals de Gorongosa. Buiten dit gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekende plekken zijn Hogsback in de Oost-Kaap, Karkloof en de bosranden van de Drakensberg in KwaZoeloe-Natal, Magoebaskloof en Haenertsburg in Limpopo en Nyanga en het Vumbagebergte in Zimbabwe. Luister in de ochtend bij braam- en varenruigte aan een bosrand naar de hoge inleiding met de ratelende reeks, en wacht dan geduldig; de vogel verschijnt soms kort op een open takje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikte ruigte plaatselijk algemeen. Verlies van bosranden, te frequente branden en het opruimen van ondergroei in plantages zijn plaatselijke bedreigingen; een groot deel van het leefgebied ligt in beschermde bergbossen.

Wetenschappelijke naam

Bradypterus barratti | Sharpe, 1876

Sharpe beschreef de soort in 1876 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bradypterus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Bradypterus komt van het Griekse bradus, 'traag', en -pteros, '-vleugelig' — naar de korte, ronde vleugels en de zwakke vlucht. barratti eert F. A. Barratt (actief rond 1875), verzamelaar in Transvaal, Zuid-Afrika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mac-Mac bij Lydenburg (Mpumalanga), Zuid-Afrika.