Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Kameroenstruikzanger

Kameroenstruikzanger | Bradypterus lopezi

Evergreen Forest Warbler | Zarzalero de Lopes

De Kameroenstruikzanger is een donker roodbruine, muisachtige zanger van de bodem van afromontaan bos in het noorden van het gebied, van de bergen van Malawi en het noordoosten van Zambia tot de hooglanden van Angola. Hij is uiterst moeilijk te zien en wordt vrijwel altijd aan zijn luide, ritmische zang gevonden.

Kameroenstruikzanger (Bradypterus lopezi)
Foto: Alex — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een luide, ritmische en eentonige reeks van herhaalde twee- of drieledige fluittonen, tsjwie-tsjoe, tsjwie-tsjoe, tsjwie-tsjoe, die op grote afstand in het bos te horen is en vaak lang wordt volgehouden; paren zingen soms in duet. Roep een droog, ratelend trrrt en een hard tsjek.

Luister: ZangXC1059606

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, gedrongen, met korte, ronde vleugels en een vrij lange, brede, afgeronde staart met zachte veren. De bovendelen zijn egaal donker roodbruin tot olijfbruin, de staart iets roestiger. De onderdelen zijn grijzig olijfbruin, naar de keel en buikmidden lichter en grijzer, zonder streepjes; de flanken zijn warm bruin. Een zwakke, vuile wenkbrauwstreep is soms te zien. Snavel donker, poten bruinig roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn olijfkleuriger met een geelachtig waas van onderen. Loopt en hupt over de bosbodem en door lage ondergroei.

Verwarrings­soorten

De kaneelstruikzanger Bradypterus cinnamomeus is warmer kaneelbruin, met een duidelijker lichte wenkbrauwstreep, een witte keel en kaneelkleurige flanken, en leeft eerder in varens en ruigte aan bosranden dan in het bosinterieur. Barratts struikzanger Bradypterus barratti heeft een gestreepte borst en komt pas veel zuidelijker voor. De moerasstruikzanger Bradypterus baboecala leeft in riet en natte ruigte. Akalats zoals Sharpes akalat Sheppardia sharpei hebben een oranje borst en zitten rechtop op lage takken. Zang, habitat en gedrag geven de doorslag.

Leefgebied

De dichte ondergroei en bodem van vochtig, altijdgroen afromontaan bos, vooral in ravijnen, langs beken en op plekken met dichte kruiden, varens en jonge boompjes, meestal boven 1200 m. Zoekt op de grond en in de onderste laag naar insecten en andere ongewervelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in de bergbossen van Malawi, zoals het Nyikaplateau, de Viphya, Dedza, Zomba en Mulanje, in het noordoosten van Zambia op de Nyika en in de Mafingabergen, in het noorden van Mozambique op bergen als de Namuli en de Njesi, en in de westelijke hooglanden van Angola. Daarbuiten versnipperd in bergbossen van Kameroen en Bioko tot het oosten van Congo, Oeganda, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekende plekken zijn het Chowo-bos op het Nyikaplateau, de bossen van de Zomba- en Mulanjeberg in Malawi en de bergbossen van de Mafingabergen. Luister in de vroege ochtend naar de ritmisch herhaalde fluittonen en zoek dan laag bij de grond; de vogel komt soms heel dichtbij, maar blijft vrijwel altijd achter bladeren en stengels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de soort heeft een groot, zij het versnipperd areaal. In het gebied is hij kwetsbaar voor het verdwijnen van bergbos door houtkap, branden en ontginning voor landbouw, zoals op de Mulanjeberg en in Angola.

Wetenschappelijke naam

Bradypterus lopezi | (Alexander, 1903)

Alexander beschreef de soort in 1903 als Phlexis lopezi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bradypterus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Bradypterus komt van het Griekse bradus, 'traag', en -pteros, '-vleugelig' — naar de korte, ronde vleugels en de zwakke vlucht. lopezi eert de Portugese preparateur José Lopes (actief rond 1903), die voor Boyd Alexander verzamelde op de Kaapverdische Eilanden en in tropisch Afrika; latere wijzigingen van de spelling in lopesi, ook door de beschrijver zelf, gelden als ongerechtvaardigd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Moka, Bioko (Equatoriaal-Guinea).