Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Kaneelstruikzanger
Kaneelstruikzanger | Bradypterus cinnamomeus
Cinnamon Bracken Warbler | Zarzalero Canela
De kaneelstruikzanger is een warm kaneelbruine zanger van varens, braam en ruigte aan de randen van bergbos, die in het gebied alleen in de hooglanden van Malawi en het noordoosten van Zambia voorkomt. Hij is heimelijk, maar zingt luid en laat zich soms even bovenop een varen zien.
Geluid
De zang is een luide reeks van enkele heldere, iets klagende fluittonen, gevolgd door een snelle, droge ratel, tuu-tuu-tuu-tsjrrrrr; paren zingen vaak in duet, waarbij de partner met een ratelend geluid invalt. Roep een droog tsjek en een ratelend alarm.
Opname: Guilherme Melo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm, met korte, ronde vleugels en een vrij lange, brede, afgeronde staart. De bovendelen zijn warm roodbruin tot kaneelbruin, de staart roestiger. Een duidelijke, lichte geelbruine wenkbrauwstreep contrasteert met een donkere oogstreep. De keel en het buikmidden zijn wit, de borstzijden en flanken warm kaneel tot oranjebruin, zonder streepjes. Snavel donker, poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn olijfkleuriger met een geelachtig waas van onderen. Beweegt laag door dichte vegetatie en wipt vaak met de staart.
Verwarringssoorten
De Kameroenstruikzanger Bradypterus lopezi is donkerder en grijzer van onderen, met nauwelijks een wenkbrauwstreep, en leeft op de bodem in het bosinterieur; zijn zang is een ritmisch herhaalde fluittoon. De moerasstruikzanger Bradypterus baboecala is doffer bruin, met fijne vlekjes op de borst, en leeft in riet en natte ruigte. De waaierstaartzanger Catriscus brevirostris heeft een veel langere, zwarte staart en leeft in hoog nat gras. Let op de warme kaneelkleur, de lichte wenkbrauwstreep, het habitat aan de bosrand en de zang.
Leefgebied
Varens, braam, hoog gras en dicht struweel aan de randen en in open plekken van afromontaan bos, in bosrestanten en ruigte langs bergbeken, meestal boven 1500 m. Foerageert laag in de vegetatie en op de grond op insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied beperkt tot de hooglanden van Malawi, vooral in het noorden op het Nyikaplateau, de Misukuheuvels en de Viphya, en het noordoosten van Zambia op de Nyika en in de Mafingabergen. Daarbuiten in de bergen van Oost- en Centraal-Afrika, van Ethiopië en Zuid-Soedan via Oeganda, het oosten van Congo en Kenia tot Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best op het Nyikaplateau, in de ruigte met adelaarsvaren langs de randen van het Chowo-bos en de bosrestanten bij Chelinda. Luister in de vroege ochtend naar de fluittonen met de afsluitende ratel en kijk dan bovenop de varens; de vogel komt vaak even kort omhoog om te zingen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in geschikte ruigte aan bosranden plaatselijk algemeen. In het gebied is hij beperkt tot een paar berggebieden, waar het leefgebied te lijden heeft van branden en ontginning; een groot deel ligt echter in nationale parken zoals Nyika.
Wetenschappelijke naam
Bradypterus cinnamomeus | (Rüppell, 1840)
Rüppell beschreef de soort in 1840 als Sylvia? (Salicaria) cinnamomea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bradypterus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Bradypterus komt van het Griekse bradus, 'traag', en -pteros, '-vleugelig' — naar de korte, ronde vleugels en de zwakke vlucht. cinnamomeus is Latijn voor 'kaneelkleurig', naar het warme roodbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Semien, Ethiopië.

