Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Moerasstruikzanger
Moerasstruikzanger | Bradypterus baboecala
Little Rush Warbler | Zarzalero Charlatán
De moerasstruikzanger is een donkerbruine, schuwe zanger van riet, lisdodde en hoge zegge, die veel vaker gehoord dan gezien wordt. Zijn stotterende, versnellende zang, vaak begeleid door vleugelgeklepper, is een van de karakteristieke geluiden van moerassen in het oosten en zuiden van het gebied.
Geluid
De zang is een reeks droge, stotterende tonen die sneller en zachter worden en in een ratel wegsterven: trrp-trrp-trp-trp-tptptptp. Het mannetje zingt vanuit de dekking of in een korte baltsvlucht boven het riet, waarbij hij met de vleugels klept (frrrt-frrrt). Roep een hard tsjik en een raspend tsjrrr bij alarm. Zingt het hele jaar, het meest bij zonsopkomst en in de schemering.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Bovenzijde egaal donker warmbruin, zonder strepen. Een smalle, vage lichte wenkbrauwstreep; keel vuilwit met fijne donkere stippels op de onderkeel en bovenborst, die in het veld vaak nauwelijks zichtbaar zijn. Borst en flanken bruingeel, buikmidden bleker; onderstaartdekveren bruin met lichtere toppen. De staart is breed, sterk getrapt en afgerond en wordt in de vlucht vaak gespreid; de vleugels zijn kort en rond. Snavel donker, poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn olijfkleuriger met een geelachtige zweem op de onderdelen. Vliegt laag en kort over het riet met hangende, gespreide staart en duikt direct weer weg.
Verwarringssoorten
Bij deze groep bepalen geluid, habitat en gedrag de determinatie. De Kaapse rietzanger Acrocephalus gracilirostris is lichter, met een platte kop, lange snavel en smalle staart, klimt open langs rietstengels en zingt een rijke, vloeiende zang. De Kaapse struikzanger Bradypterus sylvaticus en Barratts struikzanger Bradypterus barratti lijken sterk, maar leven in ondergroei van bos en bosranden en varenruigte in bergen, niet in riet. De kaneelstruikzanger Bradypterus cinnamomeus is warm kaneelbruin en leeft in montane varens en ruigte in het noorden. De krekelzanger Locustella fluviatilis is een Palearctische doortrekker (vooral december–maart) met een gestreepte keel, lange onderstaartdekveren met witte toppen en een eentonig, insectachtig gesnor. In papyrus in het noorden van Zambia komt de witvleugelstruikzanger Bradypterus carpalis voor, die groter is, zwaar gestreept op de borst en met een witte vleugelbocht.
Leefgebied
Dichte rietkragen, lisdodde, hoge zegge, biezen en ruig gras langs vleien, dammen, rivieren, beken en lagunes, van zeeniveau tot hoog in de bergen; ook in kleine, natte ruigtes langs sloten. Foerageert laag in de vegetatie en op de modder naar insecten en andere kleine ongewervelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid in het oosten en zuiden van het gebied: in Zuid-Afrika in de West-Kaap (kustmoerassen vanaf het Kaapse Schiereiland oostwaarts), de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, het Hoogveld en het noordoosten, verder in Lesotho en Eswatini; in Zimbabwe, Mozambique, Malawi en Zambia, in het noorden van Botswana (Okavangodelta, Chobe en Linyanti), in het noordoosten van Namibië (Kavango en Zambezi-regio) en in Angola. Ontbreekt in de droge westelijke helft (Karoo, Kalahari, Namib). Daarbuiten in Oost- en Centraal-Afrika tot Ethiopië, met verspreide populaties in West-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond in vrijwel elk flink rietmoeras in het oosten, zoals bij Marievale (Gauteng), Wakkerstroom of de Strandfontein-zuiveringsvijvers bij Kaapstad. Luister bij zonsopkomst naar de versnellende ratel en het vleugelgeklepper en houd dan de rietrand in de gaten: de vogel verschijnt soms heel even onderaan een stengel of vliegt kort laag over het riet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in geschikte moerassen algemeen. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door drooglegging, overbegrazing van oevers en het jaarlijks afbranden van rietvelden.
Wetenschappelijke naam
Bradypterus baboecala | (Vieillot, 1817)
Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia baboecala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bradypterus werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Bradypterus komt van het Griekse bradus, 'traag', en -pteros, '-vleugelig' — naar de korte, ronde vleugels en de zwakke vlucht. baboecala is een verkleinwoord van het Griekse babax, 'kletser' (van babazō, 'babbelen'), naar Levaillants naam 'la Caqueteuse' ('de kwebbelaarster', 1802) voor deze soort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving Knysna, Zuid-Afrika.
