Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bartrams ruiter

Bartrams ruiter | Bartramia longicauda

Upland Sandpiper | Correlimos Batitú

De Bartrams ruiter is een slanke, langhalzige steltloper van droge graslanden die broedt op de prairies van Noord-Amerika en overwintert op de pampa's van Zuid-Amerika. In zuidelijk Afrika is hij een uitzonderlijke dwaalgast, en wie hem vindt, staat eerder in een weiland of op een vliegveld dan aan het water.

Bartrams ruiter (Bartramia longicauda)
Foto: Johnath — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, vloeiend kwip-ip-ip-ip, vaak bij het opvliegen. De lange, fluitende en omhoog glijdende zang, als een wolfsfluit, is in het broedgebied te horen en in Afrika niet te verwachten.

Luister: ZangXC1012869

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–32 cm. Een kleine kop op een lange, dunne hals, grote donkere ogen in een licht gezicht, een korte, rechte gele snavel met donkere punt en gele poten. De bovendelen zijn bruin met zwarte, geschubde tekening en lichte veerzomen; hals en borst zijn beige met fijne donkere streepjes en pijlpunten, de buik is wit. De staart is lang voor een steltloper en reikt ver voorbij de vleugelpunten. In de vlucht zijn de handpennen donker en de ondervleugel sterk gebandeerd. Loopt rechtop en houdt na het landen de vleugels vaak even omhoog.

Verwarrings­soorten

De blonde ruiter Calidris subruficollis is kleiner, egaal beige op de onderdelen zonder streping, met een kortere hals en een donkere snavel. De kemphaan Calidris pugnax heeft een kortere hals, een zwaarder lijf, een grotere kop en een kortere staart. Het silhouet, met de duivenachtige kop op de lange hals en de lange staart, is het sterkste kenmerk.

Leefgebied

Droge, korte graslanden, weilanden, sportvelden, vliegvelden en akkers, ver van open water. Foerageert zoals een plevier: lopen, stoppen en pikken naar insecten zoals sprinkhanen en kevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied slechts enkele bevestigde gevallen, onder meer in Zuid-Afrika. Broedt in de graslanden van Noord-Amerika, van Alaska en Canada tot het midden van de Verenigde Staten, en overwintert op de pampa's van Argentinië, Uruguay en Zuid-Brazilië. Dwaalt zelden naar Europa en nog zeldzamer naar Afrika.

Hoe en wanneer kijken

Een soort om in het achterhoofd te houden bij het afzoeken van kortgrazige graslanden en velden met plevieren en kieviten, vooral tussen oktober en maart. Een vreemd rechtopstaande, langhalzige steltloper tussen de kieviten verdient een tweede blik en foto's.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot, al is het oppervlak aan natuurlijke prairie sterk afgenomen. In zuidelijk Afrika geen eigen beschermingsbelang als dwaalgast; waarnemingen worden door de nationale zeldzaamhedencommissies beoordeeld.

Wetenschappelijke naam

Bartramia longicauda | (Bechstein, 1812)

Bechstein beschreef de soort in 1812 als Tringa longicauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bartramia werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Bartramia eert de Amerikaanse natuuronderzoeker William Bartram (1739–1823). longicauda is gevormd uit Latijn longus 'lang' en cauda 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika.