Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Terekruiter

Terekruiter | Xenus cinereus

Terek Sandpiper | Andarríos del Terek

De terekruiter is een kleine, grijze steltloper met een lange, opgewipte snavel en korte oranjegele poten, die met een gebogen houding en in korte sprintjes over het slik rent. Hij broedt van Finland tot Oost-Siberië en overwintert langs de kusten van de Indische Oceaan, in zuidelijk Afrika vooral in estuaria en mangroven aan de oostkust.

Terekruiter (Xenus cinereus)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een fluitend, iets dalend tuu-tuu-tuu of twie-wie-wie, vaak in drieën, sneller en hoger dan de roep van de groenpootruiter. Ook een kort tjiet bij verstoring.

Luister: VluchtroepXC838573

Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–25 cm. Van boven egaal grijsbruin met in de vlucht een witte achterrand aan de armpennen en een grijze stuit; van onderen wit met een grijsachtige waas op de borstzijden. De snavel is lang, duidelijk opgewipt en donker met een gele of oranje basis. De korte poten zijn geeloranje. Adulten tonen een donkere streep langs de schouderveren, die in het broedkleed zwart en goed zichtbaar is. Houding voorovergebogen; wipt met het achterlijf zoals een oeverloper en rent snel en schokkerig achter krabbetjes aan.

Verwarrings­soorten

De oeverloper Actitis hypoleucos heeft een korte, rechte snavel, een witte haak voor de vleugelbocht en een witte vleugelstreep in de vlucht. De poelruiter Tringa stagnatilis en de groenpootruiter Tringa nebularia hebben lange poten en een witte wig op de rug. De krombekstrandloper Calidris ferruginea heeft een neerwaarts gebogen snavel, zwarte poten en een witte stuit.

Leefgebied

Getijdenslik, zandige en modderige oevers van estuaria, mangroven, lagunes en rotskusten met wier; zelden aan zoet water in het binnenland. Rust bij hoogwater in groepen op zandbanken, in mangroven of op kribben, vaak met andere steltlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral langs de oostkust: Mozambique (talrijk bij Inhambane, Beira en de Bazaruto-archipel) en KwaZoeloe-Natal (Richardsbaai, St Lucia), in kleiner aantal langs de zuidkust tot de West-Kaap; aan de westkust schaars, met enkele vogels in de lagunes van Walvisbaai en Sandwich Harbour in Namibië en langs de kust van Angola. In het binnenland zeldzaam. Buiten het gebied langs de kusten van Oost-Afrika, de Arabische Zee, Zuid- en Zuidoost-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bij laag water in estuaria met mangroven naar een kleine, grijze steltloper die als een windhond over het slik rent en abrupt stopt. Bij de hoogwaterrustplaats zijn de gele pootjes en de opgewipte snavel het snelst te herkennen. Richardsbaai en de Mozambikaanse kust leveren de meeste waarnemingen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, al gaat de populatie van de Oost-Aziatische trekroute achteruit door verlies van getijdengebieden. In zuidelijk Afrika zijn estuaria en mangroven aan de oostkust belangrijk; verstoring en ontwikkeling van de kust vormen daar de voornaamste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Xenus cinereus | (Güldenstädt, 1775)

Güldenstädt beschreef de soort in 1775 als Scolopax cinerea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xenus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Xenus komt van het Oudgriekse xenos 'vreemdeling'. cinereus is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar de grijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische kust bij de monding van de Terek.