Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Groenpootruiter
Groenpootruiter | Tringa nebularia
Common Greenshank | Archibebe Claro
De groenpootruiter is de grootste en meest wijdverbreide ruiter van zuidelijk Afrika. Van de getijdengeulen van Mozambique tot boerendammen in de Karoo staat hij waakzaam aan de waterkant, en zijn luide drievoudige roep is voor veel vogelaars het geluid van de zomerse wetlands.
Geluid
Een luid, helder en krachtig tjoe-tjoe-tjoe, drie (soms twee of vier) gelijke tonen op één toonhoogte, vooral bij het opvliegen; draagt ver en wordt vaak eerder gehoord dan de vogel gezien. Bij onrust een hard tjip.
Opname: Noé Ferrari — CC BY 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
30–35 cm. Een grote, lichtgrijze ruiter met een zware, licht opgewipte snavel die grijs is aan de basis en donker naar de punt, en lange groengrijze poten. In winterkleed lichtgrijs van boven met fijne donkere schachtstreepjes en lichte veerranden, kop en hals fijn gestreept, onderdelen zuiver wit. In de vlucht een effen donkere vleugel zonder vleugelstreep en een brede witte wig van de stuit tot ver op de rug; de tenen steken net achter de staart uit. In broedkleed, soms in maart, met zwarte middens op mantel- en schouderveren en dichter gestreepte hals.
Verwarringssoorten
De poelruiter Tringa stagnatilis is kleiner en fijner, met een naaldfijne, rechte snavel en verhoudingsgewijs langere poten. De terekruiter Xenus cinereus heeft ook een opgewipte snavel, maar is kleiner, gedrongen, met korte oranjegele poten, en rent zeer snel. De tureluur Tringa totanus is bruiner, met oranjerode poten en een witte vleugelachterrand.
Leefgebied
Vrijwel elk open water met ondiepe randen, zoet of zout: estuaria, lagunes, mangroven, getijdenmodder, zoutwinningen, pannen, dammen, rivieroevers en rioolvijvers. Jaagt waadend op kleine vis, garnalen en insectenlarven, soms met korte sprintjes door het ondiepe water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het hele gebied, aan de kust en in het binnenland: algemeen in Zuid-Afrika, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Zambia, Malawi, Eswatini en Namibië (vooral de kust bij Walvisbaai), ook in Angola en Lesotho. Buiten het gebied broedt de soort in de boreale zone van Schotland en Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert ze van West-Europa en de Middellandse Zee tot Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond aanwezig aan de kust, met de meeste vogels van oktober tot maart; de beste plekken zijn estuaria en lagunes bij laag tot halfhoog tij. Gebruik de groenpootruiter als maatstaf om andere ruiters op grootte en snavelvorm te vergelijken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en stabiel. Profiteert in het binnenland van dammen en rioolvijvers; kustpopulaties zijn gevoelig voor verstoring en verlies van getijdengebieden.
Wetenschappelijke naam
Tringa nebularia | (Gunnerus, 1767)
Gunnerus beschreef de soort in 1767 als Scolopax nebularia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. nebularia is Latijn, bij nebula 'nevel, mist', naar de drassige en mistige streken waar de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Trondheim in Noorwegen.

