Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Tureluur

Tureluur | Tringa totanus

Common Redshank | Archibebe Común

De tureluur is in Europa een van de bekendste steltlopers, maar in zuidelijk Afrika een schaarse gast. De meeste vogels overwinteren in Oost-Afrika en rond de Rode Zee; in het gebied zijn het er ieder jaar hooguit enkele tientallen, vooral op wadplaten en in estuaria aan de kust.

Tureluur (Tringa totanus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig en schichtig: een helder, dalend tjuu-hu-hu of tjuu-hu bij het opvliegen, en een hard, aanhoudend tjip-tjip-tjip bij alarm dat andere steltlopers waarschuwt.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1180327

Opname: Vandousselaere Patrick — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

27–29 cm. Een middelgrote, grijsbruine ruiter met helder oranjerode poten en een rechte, middellange snavel met een rode basis en een donkere punt. In winterkleed egaal grijsbruin van boven, met een lichte, vaag gestreepte borst en een witte buik; een witte oogring en een korte lichte streep voor het oog. In de vlucht onmiskenbaar: een brede witte achterrand aan de vleugel, over de armpennen en binnenste handpennen, en een witte wig op de rug. In broedkleed bruiner en dichter gevlekt. Jonge vogels hebben geeloranje poten en bleke stippels op de bovendelen.

Verwarrings­soorten

De kemphaan Calidris pugnax heeft ook vaak oranje poten, maar een kortere, iets gebogen snavel, een geschubd verenkleed, geen witte achterrand aan de vleugel en ovale witte vlekken aan weerszijden van de stuit. De groenpootruiter Tringa nebularia is groter en lichter, met groengrijze poten en een opgewipte snavel. De terekruiter Xenus cinereus heeft een lange, opgewipte snavel en kortere, oranjegele poten.

Leefgebied

Getijdenmodder, estuaria, lagunes, mangroven en zoutwinningen aan de kust; incidenteel op zoete en zoute pannen en rioolvijvers in het binnenland. Foerageert lopend over de modder en pikt kreeftjes, wormen en weekdieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Schaars en verspreid langs de kust van Mozambique, KwaZulu-Natal en de Oostkaap, met enkele vaste plekken aan de westkust zoals de Langebaanlagune en Walvisbaai; uitzonderlijk landinwaarts in Zuid-Afrika, Botswana, Zimbabwe en Zambia. Buiten het gebied broedt de soort van IJsland en West-Europa tot Oost-Azië en overwintert ze rond de Middellandse Zee, in Afrika tot Tanzania, en in Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem bij opkomend tij tussen groenpootruiters en rosse grutto's in de estuaria van Mozambique en Zululand of op de Langebaanlagune. Vaak meldt de alarmroep hem eerder dan je hem ziet; een opvliegende vogel met witte vleugelachterrand is een tureluur.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot, al zijn de broedaantallen in West-Europa door verlies van natte weiden afgenomen. In het gebied is de soort altijd schaars geweest.

Wetenschappelijke naam

Tringa totanus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Totanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. totanus komt van totano, een Italiaanse volksnaam voor de tureluur. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.