Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bosruiter

Bosruiter | Tringa glareola

Wood Sandpiper | Andarríos Bastardo

De bosruiter is de talrijkste Palearctische steltloper van zoet water in zuidelijk Afrika. Van september tot april staat hij bij vrijwel elke modderige pan, vlei of overstroomde weide, alleen of in losse groepjes, en verraadt hij zich bij het opvliegen door zijn hoge drievoudige roep.

Bosruiter (Tringa glareola)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het opvliegen een snel, schel en helder tjiff-tjiff-tjiff of giff-giff-giff, drie of vier gelijke tonen; zeer kenmerkend en vaak het eerste teken van de soort. Bij onrust een hard tjip.

Luister: ZangXC1168658

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–21 cm. Een slanke, middelgrote ruiter met grijsbruine bovendelen die dicht bezet zijn met witte en bleekgele stippels, een lichte, fijn gestreepte borst en een witte buik. De lange witte wenkbrauwstreep loopt tot ver achter het oog door en contrasteert met een donkere oogstreep. De snavel is recht, donker en middellang; de poten zijn geelgroen tot vaal geel en steken in de vlucht duidelijk achter de staart uit. In de vlucht een effen donkere bovenvleugel zonder vleugelstreep, een lichte ondervleugel, een kleine witte stuit en een fijn gebandeerde staart. Jonge vogels zijn warmer bruin met bleekgele stippels.

Verwarrings­soorten

Het witgat Tringa ochropus is donkerder en contrastrijker, met een korte wenkbrauwstreep, groengrijze poten, een zwartachtige ondervleugel en een grotere, helderder witte stuit. De poelruiter Tringa stagnatilis is lichter grijs, met een naaldfijne snavel, langere poten en een witte wig op de rug. De oeverloper Actitis hypoleucos heeft kortere, grijsgroene poten, een witte vleugelstreep, een donkere stuit en wipt voortdurend.

Leefgebied

Ondiepe zoete wateren met modderige randen en lage begroeiing: vleien, moerassen, pannen, boerendammen, overstroomde weiden, rijstvelden en rioolvijvers. Mijdt de kale kust en zout water grotendeels. Loopt rustig langs de waterkant en tussen korte vegetatie en pikt insecten en larven van de oppervlakte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het hele gebied, van de kust tot het hoogveld: algemeen tot zeer algemeen in Zambia, Malawi, Zimbabwe, Botswana (vooral de Okavangodelta), Mozambique, Eswatini en de noordelijke en oostelijke helft van Zuid-Afrika; ook in Angola en het noorden van Namibië, en schaarser in Lesotho en de droge Karoo en Namib. Buiten het gebied broedt de soort in de boreale moerassen van Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert ze in Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuid-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in de regentijd langs een vlei of overstroomde weide en luister naar de drievoudige roep van opvliegende vogels. Op de grond valt de soort op door de dichte witte stippeling en de lange wenkbrauwstreep; vergelijk bij twijfel altijd de kleur van de ondervleugel met die van het witgat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wereldwijd een van de talrijkste ruiters. Plaatselijk gevoelig voor het verdwijnen van ondiepe zoetwatermoerassen, maar in het gebied wijdverbreid en algemeen.

Wetenschappelijke naam

Tringa glareola | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa voerde hij in datzelfde werk in. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. glareola is Latijn, een verkleinwoord bij glarea 'grind', naar de kiezelige oevers waar de vogel zich ophoudt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.