Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Bateleur

Bateleur | Terathopius ecaudatus

Bateleur | Águila Volatinera

De bateleur is de acrobaat onder de Afrikaanse arenden: urenlang glijdt hij laag boven de savanne met lange, iets opgewipte vleugels en een staart die zo kort is dat de vogel in de lucht bijna staartloos lijkt. Met zijn rode gezicht en poten en zijn zwart-kastanjebruine verenkleed is hij in het wild nauwelijks te verwarren.

Bateleur (Terathopius ecaudatus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgzaam. Soms een luid, blaffend kau-aau of een schor, aanzwellend schaaaa-aw, vooral in de broedtijd en rond het nest. Tijdens de balts klapt de vogel hoorbaar met de vleugels.

Luister: UncertainXC940364

Opname: Vikram — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

55–70 cm, spanwijdte 160–180 cm. De volwassen vogel is zwart met een kastanjebruine rug en staart, grijsbruine vleugeldekveren en een kale, helderrode gezichtshuid en rode poten; een zeldzame vorm heeft een roomkleurige in plaats van kastanjebruine rug. De staart is extreem kort; in de vlucht steken de poten erachter uit. Van onderen zijn de ondervleugeldekveren wit. Het mannetje heeft een brede zwarte achterrand aan de vleugel; het vrouwtje een smalle zwarte achterrand en grijze armpennen, die van boven een grijs vlak in de vleugel vormen. Jonge vogels zijn egaal bruin met een groenachtige tot blauwgrijze gezichtshuid en een iets langere staart; het volwassen kleed wordt pas na zeven à acht jaar bereikt, via gevlekte tussenkleden. In de vlucht kantelt de vogel voortdurend van links naar rechts en slaat zelden met de vleugels.

Verwarrings­soorten

Volwassen vogels zijn onmiskenbaar. De bruine jonge vogel lijkt op de bruine slangenarend (Circaetus cinereus) of de savannearend (Aquila rapax), maar heeft altijd de korte staart, de lange, naar achteren versmallende vleugels en de schommelende vlucht; de bruine slangenarend heeft een ronde kop met grote gele ogen en een langere, gebandeerde staart. De palmgier heeft een wit lichaam en een gele gezichtshuid.

Leefgebied

Open savanne en bosveld: acaciasavanne, mopaneveld, Kalahari-doornveld en droge miombo, bij voorkeur met open plekken en waterpunten. Mijdt dicht bos en boomloze hoogvlakten. Eet aas, kleine zoogdieren, vogels en reptielen, en jaagt vaak laag over wegen en open vlakten. Het nest ligt in een grote boom onder het bladerdak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana en het noorden van Namibië; in Zuid-Afrika tegenwoordig vrijwel beperkt tot de grote beschermde gebieden van het laagveld (Kruger en omgeving), het noorden van KwaZulu-Natal en de Kalahari aan de grens met Botswana, en schaars in het oosten van Eswatini. Buiten het gebied door de savannegordel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Somalië, en in het zuidwesten van Arabië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in Kruger, Chobe, Etosha of het Okavangogebied halverwege de ochtend omhoog, zodra de eerste thermiek opkomt: de vogel patrouilleert laag over de savanne en is aan het silhouet al op een kilometer afstand te herkennen. Zittende vogels zitten vaak bij waterpunten of drinken en baden daar in de hitte van de dag. Let bij een volwassen vogel in de vlucht op de breedte van de zwarte achterrand om het geslacht te bepalen.

Staat van instandhouding

Bedreigd op de Rode Lijst; in 2020 van gevoelig naar bedreigd getild na een sterke afname in grote delen van Afrika. Oorzaken zijn vergiftiging, zowel onbedoeld via vergiftigd aas voor jakhalzen en andere roofdieren als gericht door stropers, verlies en versnippering van savanne, en vangst voor traditioneel gebruik. In zuidelijk Afrika is de soort buiten grote parken sterk teruggelopen; in Zuid-Afrika is hij vrijwel verdwenen buiten beschermd gebied.

Wetenschappelijke naam

Terathopius ecaudatus | (Daudin, 1800)

Daudin beschreef de soort in 1800 als Falco ecaudatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Terathopius werd in 1830 ingevoerd door Lesson. Terathopius komt van het Griekse teras, 'wonder', en ops, 'gezicht' — naar het felrode, kale gezicht van de bateleur. ecaudatus is Latijn voor 'zonder staart', van e-, 'zonder', en cauda, 'staart' — naar de opvallend korte staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Knysna, Zuid-Afrika.