Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Berghoningzuiger

Berghoningzuiger | Cinnyris ludovicensis

Ludwig's Double-Collared Sunbird | Suimanga Angoleño

De berghoningzuiger is een kraaghoningzuiger van de hooglanden met twee ver gescheiden populaties: de nominaatvorm in het westelijke bergland van Angola en de ondersoort whytei op het Nyika-plateau op de grens van Malawi en Zambia. Het is een bijna-endeem van het gebied.

Berghoningzuiger (Cinnyris ludovicensis)
Hoofdfoto · Foto: Zieger M — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een scherp, herhaald tsjik-tsjik en een dunne tsie. De zang is een snelle, rammelende en kwetterende reeks hoge noten van enkele seconden, vanaf een struiktop of bosrand.

Luister: ZangXC1032288

Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, met een middellange, gebogen snavel. Het mannetje heeft kop, keel en bovendelen metaalgroen en de bovenstaartdekveren blauwviolet; onder de keel volgt een smalle blauwe lijn en een brede scharlakenrode borstband, daaronder een grijsolijf buik. Gele okselpluimen verschijnen bij het baltsen. Het vrouwtje is olijfgrijs boven en lichter grijs met een gelige zweem onder, zonder streping. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De westelijke miombohoningzuiger (Cinnyris gertrudis) leeft lager in miombo, is kleiner en korter van lijf en heeft grijze bovenstaartdekveren en een smallere rode band. Fülleborns honingzuiger (Cinnyris fuelleborni) komt in het noorden van Malawi in bergbos voor, is vrijwel even groot en is in het veld nauwelijks te onderscheiden; let op habitat en op het bekende verspreidingspatroon. De emeraldhoningzuiger (Nectarinia famosa) is veel groter, geheel groen en heeft lange staartpennen.

Leefgebied

Bergbosranden, open plekken in bergbos, struweel met varens en braam, Protea-struiken en montaan grasland met struikgroei, grofweg boven 1600 m. Foerageert aan bloeiende struiken, Leonotis, aloë's en proteabloemen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Angola in het westelijke hoogland, van Cuanza Sul en de Bailundo-hooglanden zuidwaarts over Huambo en Benguela tot de Serra da Chela in Huíla. De ondersoort whytei bewoont het Nyika-plateau in het noorden van Malawi en het aangrenzende noordoosten van Zambia. Buiten het gebied nauwelijks bekend.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Angola goed te vinden bij Mount Moco en in de bosrestanten en struwelen rond Huambo en de Tundavala-kloof bij Lubango. Op Nyika zit de soort in struweel en bosranden rond Chelinda en langs de randen van de bergbosjes. Kijk vooral bij bloeiende proteas en Leonotis.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het areaal is klein en versnipperd en het bergbos in Angola is sterk teruggedrongen door kap, begrazing en branden, maar de soort gebruikt ook struweel en bosranden en is plaatselijk algemeen. Het Nyika-plateau is beschermd als nationaal park.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris ludovicensis | (Bocage, 1868)

Bocage beschreef de soort in 1868 als Nectarinea ludovicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. ludovicensis verwijst naar het district Duque de Bragança (nu Malanje) in Angola, genoemd naar Luís I (1838–1889), hertog van Bragança en koning van Portugal; Ludovicus is de Latijnse vorm van Luís. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bibala, Namibe, Angola.