Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Grote kraaghoningzuiger

Grote kraaghoningzuiger | Cinnyris afer

Greater Double-Collared Sunbird | Suimanga Bicollar

De grote kraaghoningzuiger is de grootste en zwaarst gesnavelde van de kraaghoningzuigers van zuidelijk Afrika, met een brede scharlakenrode borstband. Hij is endemisch voor Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini en is een gewone vogel van bosranden en tuinen in het oosten van het land.

Grote kraaghoningzuiger (Cinnyris afer)
Foto: Mike Goulding — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hard, metalig tsjik of tsjuk, vaak in serie. De zang is een snelle, harde en rammelende kwetterreeks, luider, lager en krassender dan bij de kleine kraaghoningzuiger.

Luister: ZangXC1165871

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 15 cm, met een lange, duidelijk gebogen snavel. Het mannetje heeft kop, keel en bovendelen metaalgroen en de bovenstaartdekveren blauwviolet; onder de keel volgt een smalle blauwe lijn en een brede scharlakenrode borstband van ongeveer twee centimeter, daaronder een grijsolijf buik. Gele okselpluimen worden bij het baltsen getoond. Het vrouwtje is effen olijfgrijs boven en lichter grijsbeige onder, groter en langer van snavel dan het vrouwtje van de kleine kraaghoningzuiger. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De kleine kraaghoningzuiger (Cinnyris chalybeus) is kleiner, met een kortere snavel en een rode band die ongeveer half zo breed is; de twee komen over een groot gebied samen voor. De oostelijke miombohoningzuiger (Cinnyris manoensis) van Zimbabwe en Mozambique lijkt sterk, maar het areaal raakt dat van deze soort nauwelijks. Neergaards honingzuiger (Cinnyris neergaardi) is veel kleiner, met een zwartachtige buik. Vrouwtjes zijn het best op formaat en snavellengte te onderscheiden, bij voorkeur naast een mannetje.

Leefgebied

Randen van bergbos en kustbos, open plekken in bos, struweel op beschutte hellingen, vochtig bosveld met aloë's, aanplant en tuinen. Plaatselijk ook in fynbosranden in de Oostelijke Kaap. Bezoekt aloë's, koraalbomen, Leonotis en tuinplanten en vangt veel insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gebied: van de zuidkust van de Westelijke Kaap bij ongeveer Riversdale oostwaarts door de Oostelijke Kaap en KwaZulu-Natal, noordwaarts over Eswatini, Mpumalanga en Limpopo tot de Soutpansberg, en landinwaarts in het oosten van de Vrijstaat, Lesotho en delen van Gauteng. Daarbuiten nergens; opgaven uit Zimbabwe en Mozambique betreffen de oostelijke miombohoningzuiger.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Oostelijke Kaap en KwaZulu-Natal in vrijwel elke bosrijke tuin en bij elk bosrandje, en in de Magoebaskloof en rond Graskop in Mpumalanga en Limpopo. In de winter verzamelen zich vogels bij bloeiende Aloe arborescens. Vergelijk bij twijfel altijd de breedte van de rode band en de snavellengte met die van de kleine kraaghoningzuiger.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en stabiel, en goed aangepast aan tuinen en aanplant met nectarplanten. Lokaal verlies van bosranden en struweel wordt door tuinen in stedelijk gebied grotendeels gecompenseerd.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris afer | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia afra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. afer is Latijn voor 'Afrikaans', naar het werelddeel waar de soort voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.