Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Bijeneter

Bijeneter | Merops apiaster

European Bee-Eater | Abejaruco Europeo

De bijeneter is een kleurrijke, slanke bijeneter met een gele keel en een kastanjebruine kruin en mantel, die in grote aantallen uit Europa en West-Azië naar het gebied trekt. Uniek is dat daarnaast een eigen populatie in het zuiden van het gebied broedt, in de zomer van het zuidelijk halfrond. Groepen zijn vaak eerder te horen dan te zien.

Bijeneter (Merops apiaster)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een vloeiend, rollend prruup of kruuk, vaak in reeksen herhaald; groepen hoog in de lucht zijn vooral aan dit zachte, melodieuze koor te herkennen, ook als de vogels zelf nauwelijks zichtbaar zijn.

Luister: ZangXC1134758

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 27 cm inclusief de korte, spitse staartpunten van 1–2 cm. Voorhoofd wit, overgaand in groen; kruin, nek en mantel kastanjebruin, bij het mannetje doorlopend in een goudgele band over de schouders en rug, die in vlucht als een lichte V opvalt. Brede zwarte oogstreep; de keel is helder geel en aan de onderzijde afgezet met een smalle zwarte band. Borst en buik zijn turquoiseblauw, de vleugels groen en roestbruin met een zwarte achterrand. Het vrouwtje heeft een groenere rug en schouders. Jonge vogels zijn doffer en groener, met een bleke keel en zonder staartpunten. In vlucht zijn de doorschijnende, roestkleurige vleugels met donkere achterrand kenmerkend.

Verwarrings­soorten

Door de gele keel en bruine bovendelen met geen andere grote bijeneter te verwarren. De groene bijeneter (Merops persicus) en de Madagaskarbijeneter (Merops superciliosus) zijn geheel groen met een roestbruine keel en langere staartpunten. De witkapbijeneter (Merops bullockoides) heeft een rode keel en witte kap. Jonge zuidelijke karmijnrode bijeneters (Merops nubicoides) missen het geel in de keel.

Leefgebied

Open savanne, doornveld, landbouwgebied en Karoo-struweel met verspreide bomen, draden of hekken als uitkijkpost, vaak bij rivierbeddingen en dammen. Broedende vogels graven holen in zandige wanden van rivieroevers, dongas, grind- en zandgroeven, en soms in vlakke grond. Jaagt in de vlucht, vaak hoog, op bijen, wespen, libellen en andere vliegende insecten, en ontdoet angeldragende prooien door ze tegen een tak te slaan en te wrijven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Palearctische vogels trekken door het hele gebied en overwinteren vooral in Botswana, Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique, Namibië en het noorden en oosten van Zuid-Afrika; in Angola vooral op doortrek. Een broedpopulatie komt voor in het zuiden van Namibië en in Zuid-Afrika (Noord-Kaap, West-Kaap, Oost-Kaap, Vrijstaat), van september tot februari. Broedt verder in Zuid- en Oost-Europa, Noord-Afrika en West- en Centraal-Azië; overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vanaf oktober trekken grote groepen roepend over; bij bewolkt weer jagen ze laag boven velden en water. De broedvogels in de Karoo en de West-Kaap zijn het best te vinden bij zandige oevers van droge rivierbeddingen, waar de holen in de wand zitten. Let bij rustende groepen op draden op de verschillen tussen mannetjes, vrouwtjes en jonge vogels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Imkers vervolgen de soort soms bij bijenkasten. Plaatselijk verdwijnen broedplaatsen door het vastleggen of afgraven van zandige oevers; insecticiden verminderen het aanbod aan prooien.

Wetenschappelijke naam

Merops apiaster | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops voerde hij in datzelfde werk in. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. apiaster zegt in het Latijn hetzelfde, van apis 'bij'; de naam betekent dus tweemaal 'bijeneter'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.