Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Blauwoorglansspreeuw

Blauwoorglansspreeuw | Lamprotornis chloropterus

Lesser Blue-Eared Starling | Estornino de Swainson

De blauwoorglansspreeuw is de kleinste van de blauwgroene glansspreeuwen van het gebied en een kenmerkende vogel van het miombo. De zuidelijke ondersoort elisabeth wordt ook wel miombo-blauwoorglansspreeuw genoemd; hij vormt buiten de broedtijd drukke groepen die door het bosveld zwerven.

Blauwoorglansspreeuw (Lamprotornis chloropterus)
Foto: Philipp Hachtmann — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger en fijner dan bij de groenstaartglansspreeuw. De vluchtroep is een hoog, rollend wirri-girri of tsjierrip; daarnaast een zacht gekwetter en een babbelende zang van fluitende en krassende tonen. Het nasale skwie-aar van de groenstaartglansspreeuw ontbreekt.

Luister: RoepXC210343

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm. Glanzend blauwgroen met een donkerblauw oorvlak dat als een smalle, scherp afgetekende band van de teugel achter het oog langs loopt. Flanken en buik zijn violet tot magentablauw, duidelijker paars dan bij de groenstaartglansspreeuw. Op de vleugeldekveren staan twee rijen donkere vlekjes. Het oog is geeloranje, snavel en poten zwart. De snavel is verhoudingsgewijs korter en fijner dan bij de groenstaartglansspreeuw, de kop ronder en de staart korter. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn het beste kenmerk: hun onderzijde is effen roestbruin tot grijsbruin, met een donker oog, en in gemengde groepen vallen ze direct op.

Verwarrings­soorten

De groenstaartglansspreeuw Lamprotornis chalybaeus is groter en zwaarder, met een langere snavel, een breder, minder scherp begrensd oorvlak en een blauwe buik met magenta flanken; jonge vogels zijn doffer zwartachtig, nooit roestbruin van onderen. Hij leeft vooral in mopane en open savanne. De roodschouderglansspreeuw Lamprotornis nitens mist het donkere oorvlak en heeft een paarse schoudervlek; hij ontbreekt grotendeels in het miombo. De pijlstaartglansspreeuw Lamprotornis acuticaudus in het westen van Zambia en Angola heeft een wigvormige staart en een rood oog. Het geluid is in het veld het beste hulpmiddel.

Leefgebied

Miombo en ander loofverliezend bosveld met Brachystegia en Julbernardia, ook bosranden, open plekken en cultuurland met verspreide bomen binnen het miombo. Zoekt voedsel in de boomkruinen en op de grond: vruchten, vooral van vijgen, en insecten, waaronder vliegende termieten. Broedt in boomholten, vaak oude spechtengaten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het miombo van Zambia (vrijwel het hele land behalve het droge zuidwesten), Malawi, het noorden en midden van Mozambique en het noorden en oosten van Zimbabwe. Zwervers bereiken het noorden van het Krugerpark en het oosten van Botswana, maar de soort is daar zeldzaam en onregelmatig. Buiten het gebied in het zuiden van Tanzania en het zuidoosten van Congo-Kinshasa; de nominaatvorm leeft ver noordelijker, in de Sahel- en Soedanzone van Senegal tot Ethiopië en Oeganda.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond in het miombo, maar het talrijkst en het makkelijkst te zien buiten de broedtijd, als groepen rondtrekken en bij vruchtdragende vijgen samenkomen. Kijk in gemengde groepen naar de roestbruine jongen; die bevestigen de soort sneller dan de volwassen vogels. In Zimbabwe en Mozambique, waar beide blauwoorsoorten voorkomen, helpt de hoge, rollende vluchtroep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in miombo plaatselijk algemeen. Kap van miombo voor houtskool en akkerbouw verkleint het leefgebied, maar de soort verdraagt open, verstoord bosveld goed.

Wetenschappelijke naam

Lamprotornis chloropterus | Swainson, 1838

Swainson beschreef de soort in 1838 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lamprotornis werd in 1820 ingevoerd door Temminck. Lamprotornis komt van het Griekse lampros, 'glanzend, schitterend', en ornis, 'vogel' — naar het metaalachtig glanzende verenkleed van de glansspreeuwen. chloropterus combineert het Griekse khlōros, 'groen', met pteron, 'vleugel' — naar de metaalgroen glanzende vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit West-Afrika (niet nader bepaald).