Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Pijlstaartglansspreeuw

Pijlstaartglansspreeuw | Lamprotornis acuticaudus

Sharp-Tailed Starling | Estornino Colifino

De pijlstaartglansspreeuw is een weinig bekende glansspreeuw van de droge loofbossen op Kalaharizand in Angola en het westen van Zambia, die in het uiterste noordoosten van Namibië en het noorden van Botswana de zuidgrens van zijn areaal bereikt. De wigvormige staart en het rode oog onderscheiden hem van alle andere kortstaartige glansspreeuwen.

Pijlstaartglansspreeuw (Lamprotornis acuticaudus)
Foto: alanbedfordshaw — CC BY-SA 4.0 · iNaturalist

Geluid

Hoger en dunner dan de andere glansspreeuwen: een schel, fluitend tsjiep of twiieee als vluchtroep, vaak herhaald door een hele groep, en een zacht, piepend gekwetter. De zang bestaat uit korte reeksen fluittonen.

Luister: VluchtroepXC745608

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–26 cm. Glanzend groenblauw, met een blauwere onderzijde en een violette tot purperen glans op buik en flanken; een donker oorvlak ontbreekt of is hooguit vaag. Op de vleugeldekveren staan donkere vlekjes. De staart is duidelijk getrapt en loopt wigvormig uit, met verlengde, gepunte middelste pennen; dat is in de vlucht en bij zittende vogels van onderen goed te zien. Het oog is bij volwassen vogels oranjerood tot rood, bij het mannetje het felst. Snavel en poten zwart. Jonge vogels zijn doffer grijsachtig van onderen, met een donker oog.

Verwarrings­soorten

De groenstaartglansspreeuw Lamprotornis chalybaeus en de blauwoorglansspreeuw Lamprotornis chloropterus hebben een donker oorvlak, een geeloranje oog en een rechte of licht afgeronde staart. De roodschouderglansspreeuw Lamprotornis nitens heeft eveneens een effen kop, maar een geeloranje oog, een paarse schoudervlek en een rechte staart. Meves' glansspreeuw Lamprotornis mevesii heeft ook een getrapte staart, maar die is veel langer en het oog is donker. Let op roep, staartvorm en habitat.

Leefgebied

Droog loofverliezend bos en bosveld op Kalaharizand, met onder meer Zambezi-teak (Baikiaea plurijuga), Burkea en Pterocarpus, ook droog miombo en de randen van oeverbos. Zoekt voedsel vooral in de boomkruinen: vruchten, vijgen en insecten. Broedt in boomholten. Groepen zwerven buiten de broedtijd rond en kunnen dan plaatselijk plots talrijk zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het midden, oosten en zuiden van Angola en het westen van Zambia (Westelijke Provincie, westrand van het Kafuepark en het noordwesten). Schaars en onregelmatig in het noordoosten van Namibië (Kavango, oostelijk tot de Zambezi-regio) en zeldzaam in het uiterste noorden van Botswana. Buiten het gebied alleen in het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond, maar door het zwerfgedrag lastig te voorspellen. De beste kans bestaat in de droge bossen van de Westelijke Provincie van Zambia en in het zuiden en oosten van Angola. In Namibië is elke waarneming de moeite van documenteren waard. Let bij glansspreeuwen in Baikiaea-bos op de hoge vluchtroep en op de wigvormige staart wanneer een groep opvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; binnen het kerngebied plaatselijk algemeen. Kap van Zambezi-teak en andere hardhoutsoorten en toenemende branden in het Kalaharibos verkleinen het leefgebied, maar grote delen van het areaal liggen afgelegen.

Wetenschappelijke naam

Lamprotornis acuticaudus | (Bocage, 1869)

Bocage beschreef de soort in 1869 als Lamprocolius acuticaudus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lamprotornis werd in 1820 ingevoerd door Temminck. Lamprotornis komt van het Griekse lampros, 'glanzend, schitterend', en ornis, 'vogel' — naar het metaalachtig glanzende verenkleed van de glansspreeuwen. acuticaudus is Latijn voor 'spitsstaartig', van acutus, 'spits', en cauda, 'staart' — naar de wigvormige staart met puntige middenpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Caconda, Huíla, Angola.