Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Groenstaartglansspreeuw

Groenstaartglansspreeuw | Lamprotornis chalybaeus

Greater Blue-Eared Starling | Estornino Orejiazul

De groenstaartglansspreeuw is de gewone blauwoorglansspreeuw van de savannen van het noordoosten van het gebied, met het Krugerpark als bekendste plek. Luidruchtige groepen lopen op de grond rond kampen en picknickplaatsen en vallen in de zon op door hun metaalachtig blauwgroene glans.

Groenstaartglansspreeuw (Lamprotornis chalybaeus)
Foto: flowcomm — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het beste kenmerk ten opzichte van de roodschouderglansspreeuw: een nasaal, stijgend skwie-aar of sque-eeaar, vaak in de vlucht. Daarnaast een krassend gekwetter en een lange, babbelende zang van fluitende en schurende tonen.

Luister: ZangXC1008862

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

21–23 cm. Glanzend blauwgroen, op de kop en rug groener, met een donker staalblauw oorvlak dat breed en tamelijk vaag begrensd is. Buik en flanken zijn koningsblauw met een magenta tot paarse glans op de flanken. Op de vleugeldekveren staan twee rijen zwarte vlekjes. Het oog is fel geeloranje, snavel en poten zwart; de snavel is vrij lang en krachtig. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, zwartachtig met weinig glans, en hebben een donkerder, bruinig oog.

Verwarrings­soorten

De roodschouderglansspreeuw Lamprotornis nitens heeft geen donker oorvlak (de oorstreek heeft dezelfde kleur als de kop), een blauwgroene buik zonder magenta en een paarse schoudervlek; zijn roep is een rollend trrr-tsjrie-tsjrrr. De blauwoorglansspreeuw Lamprotornis chloropterus is kleiner, met een fijnere snavel, een smallere, scherper begrensde oorband en een meer violette buik; jonge vogels zijn roestbruin van onderen. De grote glansspreeuw Lamprotornis australis en Meves' glansspreeuw Lamprotornis mevesii zijn groter, langstaartig en hebben een donker oog. De zwartbuikglansspreeuw Notopholia corusca in kustbos is kleiner, met een donkere buik.

Leefgebied

Mopaneveld, acaciasavanne, gemengd bosveld en open bosland met hoge bomen, vaak in de buurt van water; ook rond kampen, dorpen en wildlodges. Zoekt het voedsel grotendeels op de grond: insecten, termieten en ook vruchten en nectar van aloë en koraalbomen. Broedt in boomholten. In de droge tijd komen groepen van tientallen tot honderden vogels samen op slaapplaatsen in rietvelden of dichte bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het noordoosten van Zuid-Afrika (lowveld van Limpopo en Mpumalanga, met het hele Krugerpark), het laagveld in het oosten van Eswatini, Zimbabwe (vrijwel overal behalve de hooglanden), Mozambique, Malawi en Zambia (vooral de lagere, drogere delen), het noorden van Botswana, het noordoosten van Namibië (Kavango en de Zambezi-regio) en het zuiden en oosten van Angola. Daarbuiten van Senegal oostwaarts door de Sahel- en Soedanzone tot Eritrea en Somalië, en zuidwaarts door Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; in het Krugerpark een van de eerste vogels die je rond kampen ziet. Bij gemengde groepen met roodschouderglansspreeuwen is het nasale skwie-aar de snelste bevestiging. Bekijk in de zon het oorvlak en de buik: donker blauw oor en een magentagetinte flank passen bij deze soort, een effen kop en blauwgroene buik bij de roodschouderglansspreeuw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid. Profiteert plaatselijk van menselijke aanwezigheid rond kampen en dorpen. Werd vroeger gevangen voor de kooivogelhandel, wat nu weinig invloed heeft op de aantallen.

Wetenschappelijke naam

Lamprotornis chalybaeus | Hemprich & Ehrenberg, 1828

Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1828 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lamprotornis werd in 1820 ingevoerd door Temminck. Lamprotornis komt van het Griekse lampros, 'glanzend, schitterend', en ornis, 'vogel' — naar het metaalachtig glanzende verenkleed van de glansspreeuwen. chalybaeus is Latijn voor 'staalblauw', van het Griekse khalups, 'staal' — naar de staalblauwe glans van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ambukol, bij Dongola, Soedan.