Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Böhms vliegenvanger
Böhms vliegenvanger | Myopornis boehmi
Böhm's Flycatcher | Papamoscas de Böhm
Böhms vliegenvanger is een kleine, grijsbruine vliegenvanger met een witte onderzijde vol opvallende, driehoekige zwarte vlekken. Het is een specialiteit van het miombo in het noorden van het gebied, die rustig hoog in de bomen zit en weinig aandacht trekt.
Geluid
Stil en onopvallend. De roep is een ijl, hoog tsiet of tsie-tsie, en de zang een korte, zachte reeks hoge, sissende tonen. Wordt vaak pas opgemerkt als hij naar een insect uitvliegt.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
12 cm, een compacte vliegenvanger met een vrij korte staart. De bovendelen zijn grijsbruin, de kruin iets donkerder, met een lichte teugel en een smalle lichte oogring. De onderdelen zijn wit, met rijen grove, pijlpuntvormige zwartbruine vlekken over borst en flanken; buik en onderstaartdekveren zijn ongevlekt. Snavel zwart, poten donker. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben daarbij lichte vlekjes op de bovendelen. Zit rechtop op een kale tak midden in of boven in de kroon en maakt korte vangvluchten.
Verwarringssoorten
De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is groter, langer gevleugeld en heeft fijne lengtestrepen op borst en kruin in plaats van driehoekige vlekken; hij is bovendien een zomergast van oktober tot april. De Kaapse vliegenvanger (Muscicapa adusta) is donkerder bruin met alleen vage, uitgelopen streping op de borst. Jonge vogels van andere vliegenvangers zijn geschubd of gevlekt op de bovendelen, maar missen de scherpe zwarte pijlpunten op een witte onderzijde.
Leefgebied
Hoog, vrij open miombo met Brachystegia en Julbernardia, vooral aan de randen van dambo's (graslandvlakten in het bos) en op plekken met verspreide grote bomen. Vangt insecten in de lucht vanaf een zitplaats in de kroon en ook wel in lage vlucht boven het gras. Het nest wordt in een holte of spleet in een boom gebouwd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied in het miombo van het centrale en oostelijke hoogland van Angola (vooral Bié, Moxico en de Lundaprovincies), het noorden, noordwesten en de Copperbelt van Zambia, en schaars in het noorden van Malawi. Daarbuiten in het zuidoosten van Congo-Kinshasa en het westen en zuidwesten van Tanzania.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem in Zambia langs de randen van dambo's in het hoge miombo, bijvoorbeeld rond Mwinilunga, Kasanka en de Copperbelt. Loop mee met gemengde foerageergroepen en controleer elke kleine vliegenvanger die hoog op een dode tak zit: de zwarte pijlpunten op de witte borst zijn met een verrekijker direct zichtbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, al wordt een lichte achteruitgang verondersteld door de kap van miombo voor houtskool en landbouw. Het grote, dunbevolkte leefgebied beschermt de soort vooralsnog voldoende.
Wetenschappelijke naam
Myopornis boehmi | (Reichenow, 1884)
Reichenow beschreef de soort in 1884 als Bradyornis Böhmi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myopornis werd in 1901 ingevoerd door Reichenow. Myopornis combineert het Griekse muōps, 'daas, paardenvlieg', met ornis, 'vogel' — een 'vliegenvogel', naar de insectenjacht. boehmi eert de Duitse zoöloog en ontdekkingsreiziger Richard Böhm (1854–1884), die het eerste exemplaar bij Kakoma in Tanzania verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kakoma, Tanzania.
