Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Rouwvliegenvanger

Rouwvliegenvanger | Artomyias fuliginosa

Sooty Flycatcher | Papamoscas Ahumado

De rouwvliegenvanger is een kleine, roetbruine vliegenvanger van de Centraal-Afrikaanse regenwouden, die in het gebied alleen de uiterste noordrand bereikt. Hij zit op kale takken hoog aan bosranden en open plekken en jaagt als een zwaluw op vliegende insecten.

Rouwvliegenvanger (Artomyias fuliginosa)
Foto: Tom Field — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijl, hoog en herhaald tsiep of tsie-tsie, en een zachte, sissende zang van snel opeenvolgende hoge tonen. Tijdens het jagen is hij grotendeels stil.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

12–13 cm, een kleine, gedrongen vliegenvanger met lange, puntige vleugels die tot ver over de korte staart reiken. Het hele verenkleed is donker roetbruin, de keel en borst met vage lichte streping en de buik iets lichter. De snavel is kort en breed, zwart; de poten zijn kort en donker. De seksen zijn gelijk. Het silhouet met lange vleugels en een kort staartje is kenmerkend: hij zit rechtop op de toppen van dode takken, vaak in kleine groepjes, en maakt lange, zwevende vangvluchten.

Verwarrings­soorten

De Kaapse vliegenvanger (Muscicapa adusta) is lichter grijsbruin, met kortere vleugels, een lichte keel en een witachtige buik, en jaagt lager aan de bosrand. De moerasvliegenvanger (Muscicapa aquatica) heeft een witte keel en buik met een bruine borstband en leeft langs water. Cassins vliegenvanger (Muscicapa cassini) is grijs met een witte keel en zit op takken en stenen boven bosrivieren. Bij de jacht in de lucht kan hij aan een kamzwaluw doen denken, zoals de blauw-zwarte kamzwaluw (Psalidoprocne pristoptera), maar die zit zelden op hoge kale takken en heeft een gevorkte staart.

Leefgebied

Randen van vochtig laaglandbos en galerijbos, open plekken, rivieroevers en kapvlakten met hoge, dode bomen, en ook secundair bos en oude plantages. Jaagt vanaf hoge, kale takken op vliegende insecten. Nestelt in een spleet of holte in een dode boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het uiterste noorden: in het noorden van Angola (Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en de Lundaprovincies) en in het galerijbos van het uiterste noordwesten van Zambia rond Mwinilunga, waar de soort schaars en weinig gedocumenteerd is. Daarbuiten van het zuiden van Nigeria en Kameroen via Gabon, Congo-Brazzaville en Congo-Kinshasa tot Oeganda, Zuid-Soedan en het westen van Tanzania.

Hoe en wanneer kijken

In Noord-Angola en rond Mwinilunga: zoek aan de randen van bos en kapvlakten naar kleine donkere vogels op de hoogste dode takken, die uitvliegen en weer terugkeren naar dezelfde zitplaats. Een telescoop is handig; het silhouet met lange vleugels is vaak het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het grootste deel van het areaal wijdverspreid en plaatselijk algemeen, en profiteert zelfs enigszins van open plekken in het bos. In het gebied is de soort zeldzaam en afhankelijk van de schaarse regenwoudresten in het uiterste noorden.

Wetenschappelijke naam

Artomyias fuliginosa | Verreaux & Verreaux, 1855

Verreaux & Verreaux beschreef de soort in 1855 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Artomyias voerde hij in datzelfde werk in. Artomyias combineert Artamus, het geslacht van de spitsvogels, met het nieuwlatijnse myias, 'vliegenvanger' — naar de spitsvogelachtige jachtvlucht vanaf een hoge uitkijkpost. fuliginosa is Latijn voor 'roetkleurig' — naar het egaal donkere, roetbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gabon (niet nader bepaald).