Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Swynnertons sterrenpaapje

Swynnertons sterrenpaapje | Swynnertonia swynnertoni

Swynnerton's Robin | Ruiseñor de Swynnerton

Swynnertons sterrenpaapje is een kleine, schuwe bosbodemvogel van de bergbossen op de grens van Zimbabwe en Mozambique, met enkele afgelegen populaties in Tanzania. Het mannetje valt op door de oranje keel en borst met een witte halvemaan, maar de vogel houdt zich meestal op in de schemer van de ondergroei.

Swynnertons sterrenpaapje (Swynnertonia swynnertoni)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zacht, fluitend motief van drie noten, zit-zitt-sluurr, met een dalende laatste noot, vaak herhaald vanaf een lage tak. De alarmroep is een zacht, droog gekwetter en een krassend tsjrrr.

Luister: ZangXC517170

Opname: Louis A. Hansen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm, een compacte, kortstaartige robin met lange poten. Het mannetje heeft een leigrijze kop, een olijfgroene rug en vleugels en een donkergrijze staart zonder geel. Keel en borst zijn warm oranje, met over de bovenborst een opvallende witte halvemaan die aan de onderzijde door een smalle zwarte lijn wordt begrensd; de buik is vuilwit met grijze flanken. Het vrouwtje is doffer, met een olijfkleurige waas over kruin en gezicht. Jonge vogels zijn op kop en bovenzijde geelbruin gevlekt, met een vage grijsbruine borstband. Zit laag, wipt met de staart en hangt de vleugels.

Verwarrings­soorten

Het sterrenpaapje Pogonocichla stellata is groter en heeft een geheel gele onderzijde zonder witte halvemaan, en gele staartzijden die bij het wegvliegen oplichten; beide soorten leven in dezelfde bossen, het sterrenpaapje vaak iets hoger. De blauwvleugelakalat Sheppardia gunningi heeft een oranje keel en borst maar geen witte halvemaan of zwarte lijn, en een blauwgrijze vleugelrand; hij leeft in laaglandbos in Mozambique en Malawi. De roodkaplawaaimaker Cossypha natalensis is groter, roestoranje van onderen en heeft een blauwgrijze vleugel en rug.

Leefgebied

Onderlaag en bodem van vochtig, schaduwrijk bergbos en middelhoog bos met een dichte struiklaag en veel strooisel, vooral tussen 850 en 1850 m hoogte. Foerageert op of vlak boven de grond op mieren, kevers en andere ongewervelden en volgt soms colonnes van wandelmieren. Het nest is een kommetje van mos en bladeren in een holte van een boomstronk of tussen wortels, laag boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het oostelijke hoogland van Zimbabwe, met het Chirindabos en de Bvumba als belangrijkste plaatsen, en in Mozambique op de Gorongosa en de Mabu en in bossen langs de grens met Zimbabwe. Daarbuiten alleen in Tanzania, in de Udzungwa- en de Oost-Usambarabergen, waar een aparte ondersoort leeft. Meldingen uit Zuid-Afrika berusten niet op wilde vogels.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Chirindabos bij Mount Selinda en de bossen van de Bvumba, zoals bij Seldomseen, zijn de klassieke plekken. Loop langzaam en stil over de bospaden in de vroege ochtend en luister naar het zachte driedelige fluitje. Blijf staan bij een mierencolonne of een open plek in de ondergroei, waar de vogel vaak even op een laag takje komt zitten.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort heeft een zeer versnipperd areaal in een paar kleine bosblokken, en kap, branden en het uitbreiden van landbouw op de berghellingen verkleinen het leefgebied. In Zimbabwe ligt het grootste deel van de populatie in beschermde bossen; de ontdekking van een populatie op de Mabu in Mozambique vergrootte het bekende areaal.

Wetenschappelijke naam

Swynnertonia swynnertoni | (Shelley, 1906)

Shelley beschreef de soort in 1906 als Erythracus swynnertoni; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Swynnertonia werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Swynnertonia eert de Britse natuuronderzoeker Charles Swynnerton (1877–1938), die in Zimbabwe en Tanzania vogels verzamelde en de tseetseevlieg bestudeerde. swynnertoni eert de Britse natuuronderzoeker Charles Swynnerton (1877–1938), die de soort in het Chirinda-woud ontdekte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chirinda-woud, Zimbabwe.