Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Bruinborstalethe

Bruinborstalethe | Chamaetylas poliocephala

Brown-Chested Alethe | Alete Pechipardo

De bruinborstalethe is een lijsterachtige bosbodemvogel van het Afrikaanse regenwoud die binnen het gebied alleen in de escarpmentbossen van West-Angola voorkomt. Hij leeft in de schemer van de ondergroei en is vooral bij zwermen wandelmieren te zien, waar hij insecten vangt die voor de mieren uit vluchten.

Bruinborstalethe (Chamaetylas poliocephala)
Foto: Tobin Sparling (he/him) — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een reeks heldere, wat klaaglijke fluittonen van wisselende toonhoogte, zoals hwie-hoe-hwie, vooral bij zonsopgang. Bij de mierenzwermen klinkt vaak een zacht, nasaal kwiet en een droog, ratelend alarm, tsjrrr.

Luister: RoepXC1057953

Opname: Budongo Conservation Field Station — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm, een robuuste, vrij kortstaartige alethe met lange, lichte poten. Kruin en wangen zijn donker leigrijs, met een lange, smalle witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep. De bovenzijde is warm roodbruin, de staart iets donkerder kastanjebruin. De keel is wit en wordt begrensd door een brede, bruingrijze tot roodbruin getinte borstband; de buik is wit met bruingrijze flanken. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn donker, met okerkleurige spikkels op kop en bovenzijde. Zit rechtop op lage takken en lianen, wipt met de staart en hangt de vleugels.

Verwarrings­soorten

In het Angolese escarpmentbos zijn er geen andere alethes. De Gabela-akalat Sheppardia gabela en Bocages janfrederik Sheppardia bocagei zijn veel kleiner, met een oranje of okerkleurige keel en borst en zonder witte wenkbrauwstreep. De Kaapse lijster Turdus olivaceus en de Afrikaanse lijster Turdus pelios zijn groter, met een gele of oranje snavel en gestreepte keel, en leven meer in open bos en tuinen. De combinatie van grijze kop, witte wenkbrauwstreep, witte keel en bruine borstband is kenmerkend.

Leefgebied

Onderlaag en bodem van vochtig, altijdgroen bos met een dichte struiklaag, in Angola vooral het halfvochtige escarpmentbos en de oude koffieplantages onder schaduwbomen tussen ongeveer 700 en 1400 m. Voedt zich met insecten, spinnen en andere ongewervelden, grotendeels gevangen aan de rand van zwermen wandelmieren. Het nest is een kom van bladeren en mos laag in een stronk, tussen lianen of in een boomholte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in West-Angola, vooral in de escarpmentbossen van Cuanza Sul rond Gabela, Kumbira en Seles, met enkele meldingen noordelijker tot in Malanje. Uit de overige landen van het gebied niet bekend. Daarbuiten van Sierra Leone door West- en Centraal-Afrika tot Oeganda, West-Kenia en de bergen van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bezoek de bossen rond Kumbira en Gabela en loop langzaam over de paden, vooral in de vroege ochtend. Wie een zwerm wandelmieren vindt, heeft de beste kans: blijf er op enige afstand bij staan en wacht tot de alethe, vaak samen met andere mierenvolgers, laag op een tak verschijnt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd als soort, want het areaal in het Afrikaanse regenwoud is groot. De geïsoleerde Angolese populatie leeft echter in een klein en sterk bedreigd bosgebied, waar schaduwkoffieplantages worden gekapt voor akkerbouw en houtskool, en is daardoor kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Chamaetylas poliocephala | (Bonaparte, 1850)

Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Trichophorus (Criniger) poliocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chamaetylas werd in 1860 ingevoerd door Heine. Chamaetylas komt van het Griekse khamai, 'op de grond', en tulas, 'lijster', naar deze gedrongen, rechtop staande, langpotige vogels van de bosbodem en de lage ondergroei (Keith et al., 1992). poliocephala komt van het Griekse polios, 'grijs', en kephalē, 'kop' — naar de grijze kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bioko (Fernando Po), Equatoriaal-Guinea.