Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Breedbekscharrelaar

Breedbekscharrelaar | Eurystomus glaucurus

Broad-Billed Roller | Carraca Picogorda

De breedbekscharrelaar is een gedrongen, kaneelbruine scharrelaar met een brede, helder gele snavel, die in de zomermaanden uit het noorden naar het gebied komt om te broeden. Hij zit rechtop op hoge dode takken en wordt vooral in de schemering actief, wanneer hij in de lucht jaagt op zwermende termieten.

Breedbekscharrelaar (Eurystomus glaucurus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een harde, schorre en snaterende reeks, krrrr-krrrr-kik-kik-kik, en een raspend gaa-gaa, vaak lachend van klank. Zeer luidruchtig in de avondschemering, wanneer groepjes samen jagen, en tijdens de baltsvlucht rond de nestboom.

Luister: ZangXC1105391

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 28 cm, met een grote kop en een korte, zeer brede gele snavel. De bovendelen zijn warm kaneelbruin, de onderdelen lila tot paarsachtig, onderstaartdekveren en staart lichtblauw tot turkoois met een donkere eindband. De slagpennen zijn donkerblauw. De staart is licht gevorkt. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met groenblauwe, bruin gevlekte onderdelen en een zwart getipte snavel. In vlucht lijkt de vogel donker en valkachtig, met lange vleugels en snelle, soms tuimelende bewegingen.

Verwarrings­soorten

De blauwkeelscharrelaar (Eurystomus gularis), alleen in het noorden van Angola, is kleiner, heeft paarsblauwe onderdelen en een afgetekende blauwviolette keelvlek. De Coracias-scharrelaars, zoals de gaffelscharrelaar (Coracias caudatus) en de roodkruinscharrelaar (Coracias naevius), zijn groter, lichter blauw of gestreept van onder en hebben een donkere snavel. In silhouet kan hij in de schemering aan een kleine valk doen denken, maar de gele snavel en het voortdurende gekrakeel verraden de soort.

Leefgebied

Hoge bomen langs rivieren, galerijbos, open miombo- en mopanebos bij water, moerasranden en palmsavanne. Jaagt vanaf een hoge uitkijkpost op vliegende insecten, vooral bij het uitzwermen van termieten en mieren, soms in groepen van tientallen vogels. Nestelt in holten in hoge bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een broedvogel van het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe (vooral de Zambezivallei, het oosten en het laagveld), het noorden van Botswana (Okavangodelta, Linyanti en Chobe), het noordoosten van Namibië (Zambezi en Kavango) en het noordoosten van Zuid-Afrika (noordelijk Krugerpark, zeldzamer zuidwaarts tot in het noorden van KwaZoeloe-Natal). Verder door vrijwel heel tropisch Afrika, deels als standvogel, en een aparte populatie op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot maart langs de grote rivieren: de Chobe, de Okavangodelta, de Zambezi en de Luangwavallei. Ga aan het eind van de middag bij hoge dode bomen langs het water zitten; bij het uitzwermen van termieten na regen verschijnen vaak meerdere vogels die luid snaterend in de lucht jagen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het noorden van het gebied vrij algemeen. De soort is afhankelijk van hoge bomen met holten langs rivieren; het kappen van oeverbos en het verdwijnen van grote bomen door olifantenschade beperken plaatselijk de broedgelegenheid. Aan de zuidrand van het areaal, in Zuid-Afrika, schaars.

Wetenschappelijke naam

Eurystomus glaucurus | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Coracias glaucurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eurystomus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Eurystomus komt van het Griekse eurystomos, 'met brede mond', van eurys, 'breed', en stoma, 'mond' — naar de korte, zeer brede snavel waarmee deze scharrelaars insecten in de vlucht vangen. glaucurus komt van het Griekse glaukos, 'blauwgrijs', en oura, 'staart' — naar de blauwachtige staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Madagaskar.