Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Bruine amarant

Bruine amarant | Lagonosticta nitidula

Brown Firefinch | Amaranta Parda

De bruine amarant is de dofste van de amaranten: een warmbruin astrildje met alleen op gezicht, keel en borst een rode waas en fijne witte stippels. Hij leeft in dichte oevervegetatie van de grote rivieren en moerassen in het noorden van het gebied, met de Okavangodelta als bolwerk.

Bruine amarant (Lagonosticta nitidula)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog tsiet of tset als contactroep, bij opwinding versneld tot een kort ratelend reeksje. De zang is een zacht, fluitend gekwetter van enkele heldere tonen, vaak vanuit dekking.

Luister: ZangXC552100

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10 cm. Het mannetje is overwegend chocoladebruin, met rood op teugel, wangen, keel en bovenborst; de borstzijden en flanken dragen fijne witte stippels. Anders dan bij de andere amaranten is de stuit bruin, niet rood; de staart is donkerbruin. De onderstaartdekveren zijn lichtbruin tot geelbruin, niet zwart. De snavel is roze tot rood met een donkere rug, de oogring lichtgrijs. Het vrouwtje heeft minder en doffer rood op gezicht en borst. Jonge vogels zijn egaal bruin zonder rood en zonder stippels, met een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van het vuurvinkje (Lagonosticta senegala) is ook bruin met een rode snavel, maar heeft alleen een rode teugel, een rode stuit en een gele oogring. De donkerrode amarant (Lagonosticta rubricata) en de roze amarant (Lagonosticta rhodopareia) zijn veel roder van onderen, hebben een rode stuit, een blauwgrijze snavel en zwarte onderstaartdekveren. De bruine stuit, de lichte onderstaartdekveren en de rode snavel samen zijn beslissend.

Leefgebied

Dicht struikgewas, ruig gras, papyrus en rietranden langs rivieren, moerassen en overstromingsvlakten, en ruigte rond kampen en dorpen dicht bij water. Leeft in paartjes of kleine groepjes en zoekt zaadjes op kale grond, vaak vlak bij dekking; eet daarnaast termieten en kleine mieren. Nestelt in dichte struiken en gebruikt ook oude wevernesten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het oosten en zuiden van Angola, het westen en noorden van Zambia, het noorden van Botswana (Okavangodelta, Moremi, Linyanti en Chobe), het noordoosten van Namibië (Kavango en de Zambeziregio) en het uiterste noordwesten van Zimbabwe. Daarbuiten alleen in het zuiden van Congo-Kinshasa en het zuidwesten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het makkelijkst in de kampen en lodges van de Okavangodelta, Moremi en langs de Chobe en de Kavango, waar hij rond drinkschalen en onder struiken tam kan worden. Let op de bruine stuit wanneer een vogel wegvliegt: elke andere amarant laat dan rood zien. Waar vuurvinkjes in de buurt zijn, eerst zorgvuldig de vrouwtjes uitsluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen in zijn beperkte areaal rond water in het noorden van het gebied. Het afbranden en ontginnen van oeverruigte kan lokaal leefgebied kosten, maar een algemene achteruitgang is niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Lagonosticta nitidula | Hartlaub, 1886

Hartlaub beschreef de soort in 1886 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lagonosticta werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Lagonosticta komt van het Griekse lagōn, 'flank', en stiktos, 'gestippeld' — naar de witte stippen op de flanken van de amaranten. nitidula is een Latijnse verkleinvorm van nitidus, 'glanzend, keurig' — 'het keurige kleintje'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mpala, bij het Tanganyikameer, DR Congo.