Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Bruine slangenarend

Bruine slangenarend | Circaetus cinereus

Brown Snake Eagle | Culebrera Sombría

De bruine slangenarend is de grootste slangenarend van het gebied: een egaal donkerbruine arend met een grote, ronde uilenkop en felgele ogen, die urenlang rechtop op de kale top van een boom zit. Hij doodt ook grote gifslangen zoals cobra's en mamba's.

Bruine slangenarend (Circaetus cinereus)
Foto: Bjørn Christian Tørrissen — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgzaam. Soms een hees, kwakend hok-hok-hok-hok of een lang, klagend kaaaauw, vooral rond het nest.

Luister: VluchtroepXC863207

Opname: Donovan — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

71–76 cm, spanwijdte 155–175 cm. Geheel donker chocoladebruin, met een grote ronde kop, grote heldergele ogen en lange, kale, grijswitte poten. De staart is donker met drie smalle grijswitte banden. In de vlucht contrasteren de donkere ondervleugeldekveren sterk met de zilvergrijze, fijn gebandeerde slagpennen; de vleugels zijn breed met een licht rondende achterrand. Zittend vallen de rechte houding en de lichte poten op. De geslachten zijn gelijk. Jonge vogels zijn iets lichter en warmer bruin, soms met witte vlekken op kop en buik.

Verwarrings­soorten

De savannearend (Aquila rapax) heeft bevederde poten, een kleinere kop zonder grote gele ogen en een lichtere, meer variabele kleur. De jonge zwartborstslangenarend (Circaetus pectoralis) is warmer roodbruin en heeft een lichte ondervleugel. De jonge bateleur heeft een zeer korte staart. Wahlbergs arend is kleiner, met een smalle, rechte staart en een klein kuifje.

Leefgebied

Beboste savanne en bosveld: gemengd bosveld, miombo, mopaneveld en dichtere delen van acaciasavanne, vaak op heuvels en langs rivieren. Mijdt open grasland, woestijn en dicht bos. Jaagt vanaf een hoge, open zitplaats en laat zich op de prooi vallen; slangen tot meer dan twee meter worden gedood. Het nest is klein en ligt in de kroon van een boom, soms een oud nest van een andere roofvogel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het grootste deel van het gebied, met uitzondering van de droge zuidwestelijke woestijnen en de Karoo: het noorden en oosten van Zuid-Afrika (Limpopo, Mpumalanga, KwaZulu-Natal, schaars in de Oostkaap), Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Botswana, het noorden van Namibië, Zambia, Malawi en Angola. Buiten het gebied door Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Controleer in het laagveld, zoals in Kruger, elke dode boomtop langs de weg: een rechtopzittende, donkere arend met een uilenkop en lichte poten is bijna zeker deze soort. De vogel zit vaak urenlang op dezelfde plek. In de vlucht is het contrast tussen donkere dekveren en zilverige slagpennen goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverspreid, maar overal in lage dichtheid. Plaatselijk slachtoffer van elektrocutie op hoogspanningsmasten en van verlies van bosveld.

Wetenschappelijke naam

Circaetus cinereus | Vieillot, 1818

Vieillot beschreef de soort in 1818 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Circaetus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Circaetus is Grieks, van kirkos, een soort havik, en aetos 'arend'. cinereus is Latijn voor 'asgrauw', van cinis, 'as' — naar het egaal donkere, grijsbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.