Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zwartborstslangenarend
Zwartborstslangenarend | Circaetus pectoralis
Black-Chested Snake Eagle | Culebrera Pechinegra
De zwartborstslangenarend is de slangenarend van het open land: een forse arend met een zwarte kop en borst boven een smetteloos witte buik, die hoog boven grasland en savanne bidt en zich dan met hangende poten op een slang laat vallen. De grote gele ogen geven hem een uilachtige blik.
Geluid
Meestal zwijgzaam. In de broedtijd een melodieus, fluitend kwo-kwo-kwo-kwiiieuw, vaak in de vlucht, en een zacht kwo-geluid bij het nest.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
63–68 cm, spanwijdte 160–185 cm. Kop, borst en bovendelen donker zwartbruin; buik, broek en onderstaartdekveren zuiver wit en ongevlekt. Grote, heldergele ogen in een ronde kop; kale, grijswitte poten. In de vlucht zijn de ondervleugeldekveren wit en de slagpennen wit met drie tot vier smalle zwarte banden; de staart heeft drie brede donkere banden. De geslachten zijn gelijk, het vrouwtje iets groter. De jonge vogel is egaal warm roodbruin, met een lichtere, roestbruine onderzijde; onvolwassen vogels zijn in het tweede en derde jaar bont bruin en wit gevlekt.
Verwarringssoorten
De vechtarend (Polemaetus bellicosus) is veel groter, heeft een donkere ondervleugel, kleine donkere vlekken op de witte buik en bevederde poten. De bruine slangenarend (Circaetus cinereus) is geheel donkerbruin, ook onder; jonge zwartborstslangenarenden zijn warmer roodbruin en hebben een lichtere ondervleugel. De visarend heeft een witte kop met zwarte oogstreep.
Leefgebied
Open en halfopen land: acaciasavanne, grasland, Karoo en halfwoestijn met verspreide bomen, ook open bosveld. Bidt als enige arend van het gebied geregeld langdurig op één plek. Eet vooral slangen, ook giftige, verder hagedissen en soms kleine zoogdieren. Het nest is klein en ligt boven op een lage, platte boom, vaak een acacia of euphorbia.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid in vrijwel het hele gebied: Zuid-Afrika (schaars in de Westkaap en de hoogste delen van de Drakensberg), Eswatini, Lesotho (zeldzaam), Namibië, Botswana, Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi en Angola. In droge jaren duiken vogels op buiten hun gewone gebied. Buiten het gebied in Oost-Afrika tot Ethiopië en Soedan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Let tijdens ritten door open savanne en grasland op een grote arend die met snel slaande vleugels stilhangt: dat is bijna altijd deze soort. Zittende vogels kiezen de top van een elektriciteitsmast of een boom met vrij uitzicht. Een witte buik zonder vlekken en kale poten scheiden hem van de vechtarend.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijdverspreid en vrij algemeen. Plaatselijk komen slachtoffers voor door elektrocutie en aanvaringen met hoogspanningsleidingen.
Wetenschappelijke naam
Circaetus pectoralis | Smith, 1829
Smith beschreef de soort in 1829 als Circaeetus pectoralis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circaetus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Circaetus is Grieks, van kirkos, een soort havik, en aetos 'arend'. pectoralis is Latijn voor 'van de borst', van pectus — naar de donkere borst die scherp afsteekt tegen de witte buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika (niet nader bepaald).


