Alle soorten › Zangvogels › Batissen en lelogen › Bruinflankvliegenvanger

Bruinflankvliegenvanger | Batis capensis

Cape Batis | Batis del Cabo

De bruinflankvliegenvanger is de batis van de bossen van zuidelijk Afrika: een klein, druk vogeltje met een zwart masker en warm roestbruine flanken, dat in paren door het gebladerte trekt. Van de kustbossen van de Kaap tot de nevelbossen van Oost-Zimbabwe en Malawi is hij een van de vaste leden van gemengde groepen.

Bruinflankvliegenvanger (Batis capensis)
Foto: Ken and Nyetta — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, herhaald tjoe-wie of een reeks tsjink-tsjink-tsjink, en een droog, snorrend tsjrrr bij onraad. Paren houden contact met klikjes en vleugelgeklapper (frrrt) terwijl ze door het gebladerte bewegen.

Luister: ZangXC1161310

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwart masker met een kleine witte vlek boven de teugel, een olijfbruin gewassen rug en een brede roestbruine vleugelstreep. Keel en buik zijn wit, over de borst loopt een brede zwarte band en de flanken zijn warm roestbruin. Het vrouwtje heeft een roestkleurige kinvlek en een smallere roestbruine borstband. Het oog is geeloranje tot rood, het roodst bij vogels van de oostelijke hooglanden van Zimbabwe. Vogels uit de bergen van Malawi en Noord-Mozambique (vorm dimorpha) zijn donkerder en minder roestbruin. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn doffer.

Verwarrings­soorten

De witflankvliegenvanger Batis molitor is lichter grijs van boven, met een witte (geen roestbruine) vleugelstreep, een duidelijke witte wenkbrauwstreep en witte flanken; hij leeft in open bosveld. Woodwards vliegenvanger Batis fratrum van laaglandbos in het noordoosten van KwaZulu-Natal en Mozambique mist een borstband en heeft een oranjeachtig gewassen borst. De donkere kortstaartvliegenvanger Batis crypta in het noorden van Malawi is donkerder en kortstaartiger, met een rood oog en bij het mannetje een witte vleugelstreep.

Leefgebied

Inheems bos van zeeniveau tot hoog in de bergen: afromontaan bos, kust- en rivierbos, beboste kloven, dicht struweel en bosrijke tuinen; plaatselijk ook oude plantages met inheemse ondergroei. Foerageert in de middelste en hogere etages en sluit zich vaak aan bij gemengde groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied van de Westkaap langs de zuid- en oostkust door de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal, en langs de Drakensberg en het oostelijke randgebergte door Eswatini, Mpumalanga en Limpopo. Geïsoleerde populaties leven in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe en het aangrenzende Mozambique, in de bergbossen van Malawi en Noord-Mozambique (onder meer Mulanje, Zomba en Namuli) en op het Nyika-plateau tot in het uiterste noordoosten van Zambia. Buiten zuidelijk Afrika komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Bijna elk goed ontwikkeld bos in het zuiden en oosten van Zuid-Afrika volstaat, van Kirstenbosch en de bossen rond Knysna tot Hogsback, Karkloof en Magoebaskloof; in Zimbabwe het Bvumba-hoogland, in Malawi het Zombaplateau. Let op de klikjes en het snorren van een paar dat met een gemengde groep meetrekt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in geschikt bos, zonder aanwijzingen voor achteruitgang. De soort verdraagt enige verstoring en gebruikt ook tuinen en plantages met inheemse ondergroei, maar de geïsoleerde populaties in Malawi en Mozambique zijn afhankelijk van krimpende bergbosjes.

Wetenschappelijke naam

Batis capensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Batis werd in 1833 ingevoerd door Boie. Batis is een Grieks woord voor een niet te identificeren, wormen etende vogel die Aristoteles noemt; Boie gaf de naam in 1833 aan deze kleine Afrikaanse vliegenvangers. capensis betekent 'van de Kaap', naar de Kaap de Goede Hoop, waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.