Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Bruinoorspecht
Bruinoorspecht | Pardipicus caroli
Brown-Eared Woodpecker | Pito Orejipardo
De bruinoorspecht is een schuwe specht van dicht woud met lianen, die in het gebied alleen de noordrand bereikt. Hij verraadt zich vooral door zijn lange, klaaglijke fluittoon, die meer aan een vogel uit een ander geslacht doet denken dan aan een specht.
Geluid
Een lange, klagende, dalende fluittoon, whieeeeeuw, van twee tot drie seconden, met tussenpozen herhaald, en een zacht tsjuk. Roffelt zelden.
Opname: Rod Cassidy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 19 cm. Bovendelen donker olijfgroen met fijne lichte vlekjes op de vleugels; de staart donkerbruin met witte vlekken op de buitenste pennen. De kop is donker, met een grote egaal donkerbruine oorvlek die het gezicht een gemaskerd uiterlijk geeft en een lichte, fijn gestippelde keel. Onderdelen olijfbruin, dicht bezet met lichte beige vlekken. Het mannetje heeft een rode achterkruin, het vrouwtje niet. De snavel is blauwgrijs.
Verwarringssoorten
De termietenspecht (Pardipicus nivosus) is kleiner, met geelgroene rug, een olijfkleurige, ongevlekte kop zonder bruine oorvlek en een lichter gevlekte onderzijde. De goudstaartspecht (Campethera abingoni) is gestreept in plaats van gevlekt onder en heeft een rode snorstreep bij het mannetje. De kardinaalspecht (Dendropicos fuscescens) is veel kleiner, met een gebandeerde rug.
Leefgebied
Dicht primair en secundair laaglandwoud, galerijbos en overwoekerde bosranden met veel lianen, ook oude plantages. Zoekt vooral mieren en andere kleine ongewervelden in de lagere en middelste laag tussen lianen en takken, vaak onopvallend en langzaam.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen aan de noordrand: het noorden van Angola en het uiterste noordwesten van Zambia, vooral in galerijbossen rond Mwinilunga. Verder door het bosgebied van West- en Centraal-Afrika, van Guinee en Sierra Leone via Kameroen en Congo-Kinshasa tot Oeganda, het westen van Kenia en het noordwesten van Tanzania.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister in galerijbos naar de lange, klaaglijke fluittoon en zoek dan geduldig in de schaduwrijke middelste laag. De vogel beweegt weinig en schuilt achter lianen; soms sluit hij aan bij gemengde foerageergroepen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in Centraal-Afrika vrij algemeen. In het gebied zeldzaam en plaatselijk, en afhankelijk van het behoud van galerijbos.
Wetenschappelijke naam
Pardipicus caroli | (Malherbe, 1852)
Malherbe beschreef de soort in 1852 als Chloropicus Caroli; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pardipicus werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Pardipicus komt van het Latijnse pardus, 'luipaard', en picus, 'specht' — 'luipaardspecht', naar de dicht gevlekte onderdelen. caroli is de Latijnse genitief van Carolus, 'Karel', en eert de Franse ornitholoog Charles Lucien Bonaparte (1803–1857). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gabon.

