Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Afrikaanse draaihals

Afrikaanse draaihals | Jynx ruficollis

Red-Throated Wryneck | Torcecuello Africano

De Afrikaanse draaihals is een specht die zich niet als specht gedraagt: hij hakt nauwelijks, zoekt mieren op de grond en bij bedreiging draait hij zijn hals slangachtig heen en weer. De zuidelijke populatie is beperkt tot de graslanden van het oosten van Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini.

Afrikaanse draaihals (Jynx ruficollis)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks van drie tot acht scherpe, gelijke tonen, kwie-kwie-kwie-kwie, vanaf een hoge zitplaats, sterk gelijkend op de roep van de Euraziatische draaihals. Bij verstoring in het nest een sissend geluid en een kort, droog pik.

Luister: ZangXC745591

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 19 cm, slank met een korte, puntige snavel en een vrij lange, afgeronde staart. Bovendelen grijsbruin, fijn gevlekt en gestreept met zwart, bruin en wit, met een donkere streep over kruin en rug. Keel en borst warm roodbruin, de rest van de onderdelen lichtbeige met fijne donkere strepen. De staart is grijs met smalle zwarte banden. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben minder rood op de borst.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied geen echte verwarring: geen andere specht heeft deze schutkleur met roodbruine keel. De Kaapse grondspecht (Geocolaptes olivaceus) foerageert ook op de grond, maar is groter, grijs met een rode stuit en buik, en leeft op rotshellingen. Op afstand kan de draaihals aan een zanger of pieper doen denken, maar de klimhouding en de roodbruine keel beslissen.

Leefgebied

Open grasland met verspreide bomen, bosjes of hagen, bosranden in het hoogland en boomrijke erven, dorpen en tuinen; ook eucalyptus- en wilgenrijen. Eet vrijwel uitsluitend mieren en termieten, die hij met zijn lange kleverige tong uit de grond haalt. Broedt in bestaande holen van spechten en baardvogels, in natuurlijke holten, nestkasten en holle paaltjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het oosten van Zuid-Afrika, van Limpopo en Mpumalanga via Gauteng, de Vrijstaat en KwaZoeloe-Natal tot in de Oost-Kaap, in Lesotho en in Eswatini; daarnaast plaatselijk in het noorden van Angola. Verder verspreid over losse populaties in de graslanden van Centraal- en Oost-Afrika, van Kameroen en Gabon tot Oeganda, Kenia en Ethiopië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in graslanden van het hoogveld en de Drakensberg met verspreide bomen, vaak rond boerenerven. In het broedseizoen, september tot januari, verraadt de hoge kwie-reeks vanaf een dode tak of paal waar hij zit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk verdwenen door omzetting van grasland in akkers en bosplantages, maar de soort profiteert elders van aangeplante bomen en nestkasten rond boerderijen en in dorpen.

Wetenschappelijke naam

Jynx ruficollis | Wagler, 1830

Wagler beschreef de soort in 1830 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Jynx werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Jynx is de oud-Griekse naam voor deze vogel, iunx. ruficollis komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en collum, 'hals' — naar de roestbruine keel en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Uitenhage, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.