Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Cabanis' gors

Cabanis' gors | Emberiza cabanisi

Cabanis's Bunting | Escribano de Cabanis

Cabanis' gors is de grote, stille gors van de miombo: een geelbuikige gors met een zwarte kop, één brede witte wenkbrauwstreep en een grijze rug. Hij is minder opvallend dan de acaciagors en leeft vooral in hoog, gesloten bosveld op heuvelachtige grond in het noorden en oosten van het gebied.

Cabanis' gors (Emberiza cabanisi)
Foto: Ad Konings — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een vrij langzame reeks heldere, fluitende tonen, tsjie-tsjie-tsjieuw of wie-tsjidder-tsjidder, meestal vanaf een hoge tak in de kruin. De roep is een zacht, dalend tsjoe of een dun tsiet.

Luister: ZangXC660732

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm, de grootste gors in het gebied, met een stevige snavel, donker van boven en roze-hoornkleurig van onderen. Het mannetje heeft een zwarte kruin, soms met een smalle grijswitte middenstreep, een lange witte wenkbrauwstreep en geheel zwarte teugels en wangen zonder witte streep onder het oog; de kin en keel zijn wit tot bleekgeel. Mantel en rug zijn grijs met donkere strepen, de stuit grijsbruin. De vleugel heeft een smalle witte of bleke vleugelstreep op de grote dekveren. De onderzijde is geel, op de borst iets dieper geel maar zonder oranje, met grijzige flanken. Buitenste staartpennen met wit. Het vrouwtje is doffer, met een bruinzwarte kop en bleekgele strepen. Jonge vogels zijn bruiner en fijn gestreept op de borst.

Verwarrings­soorten

De acaciagors (Emberiza flaviventris) is kleiner en heeft een witte streep onder het oog, zodat de kop drie witte strepen per zijde toont, een kastanjebruine mantel, twee duidelijke witte vleugelstrepen en een oranjegele borst. Beide soorten komen in hetzelfde bosveld voor; let dus steeds op de wangtekening en de kleur van de mantel. De Kaapse gors (Emberiza capensis) heeft een grijze onderzijde zonder geel.

Leefgebied

Hoog miombo-bosveld en ander gesloten loofbosveld, vaak op rotsige hellingen en heuvels, plaatselijk ook in bosranden en verlaten akkers met bomen. Foerageert op de bosbodem tussen strooisel en gras, maar zingt en rust hoog in de bomen. Het nest ligt laag in een struik of tussen gras.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het noorden en oosten: Zambia (wijdverspreid), Malawi, het centrale en westelijke deel van Mozambique, het noorden en oosten van Zimbabwe (vooral het centrale plateau en de oostelijke hooglanden) en het oosten van Angola. In Zuid-Afrika slechts enkele, onzekere meldingen uit het uiterste noorden. Daarbuiten in bosveld van West- en Centraal-Afrika tot Oeganda en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in goed ontwikkelde miombo, bijvoorbeeld rond Harare en in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe of in de miombo van Zambia en Malawi. Hij is vaak voor het eerst te horen: volg de fluitende zang naar de kruin. Op de grond beweegt hij zich traag en zit hij bij verstoring lang stil op een tak, waar de zwarte wang zonder witte streep het beste kenmerk is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; vrij algemeen in intacte miombo, maar gevoelig voor houtkap en het omzetten van bosveld in akkerland, waardoor hij plaatselijk is teruggelopen.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cabanisi | (Reichenow, 1875)

Reichenow beschreef de soort in 1875 als Polymitra (Fringillaria) cabanisi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cabanisi eert de Duitse ornitholoog Jean Cabanis (1816–1906), conservator van het natuurhistorisch museum in Berlijn. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kameroen.