Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Acaciagors

Acaciagors | Emberiza flaviventris

Golden-Breasted Bunting | Escribano Pechidorado

De acaciagors is de gewone gors van het zuidelijk-Afrikaanse bosveld: een slanke zaadeter met een zwart-wit gestreepte kop, een kastanjebruine rug en een goudgele borst. Hij foerageert onopvallend op de grond onder bomen, maar het mannetje zingt in de broedtijd urenlang vanaf een tak in de kruin.

Acaciagors (Emberiza flaviventris)
Hoofdfoto · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een herhaald, fluitend motief van twee of drie tonen, wietsjie-wietsjie-wietsjie of sieuw-sieuw-sieuw, met veel variatie tussen individuen en streken. De roep is een zacht nasaal zzjrr of een klagend tie-toe, vaak bij het opvliegen van de grond.

Luister: ZangXC686258

Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, met een kegelvormige snavel waarvan de bovensnavel donker en de ondersnavel roze-hoornkleurig is. De kop is zwart met drie witte strepen aan elke kant: een witte kruinstreep, een brede witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder het oog; de keel is geel. Mantel en rug zijn kastanjebruin met grijze randen, de stuit is grijs. De vleugel is donker met twee duidelijke witte vleugelstrepen. De onderzijde is heldergeel, op de borst warm oranjegeel, met witte flanken en onderstaartdekveren. Buitenste staartpennen met wit, zichtbaar bij het opvliegen. Het vrouwtje is doffer, met bruinzwarte in plaats van zwarte kopstrepen en een lichter oranje borst. Jonge vogels hebben een bruin gestreepte kop met bleekgele strepen en een fijn gestreepte borst.

Verwarrings­soorten

Cabanis' gors (Emberiza cabanisi) is groter en heeft geheel zwarte wangen zonder witte streep onder het oog, een grijze in plaats van kastanjebruine mantel, zwakkere vleugelstrepen en een minder oranje borst; hij leeft vooral in miombo in het noorden en oosten van het gebied. De Kaapse gors (Emberiza capensis) heeft een vergelijkbaar gestreepte kop, maar een grijze onderzijde zonder geel en kastanjebruine vleugeldekveren. De zevenstrepengors (Emberiza tahapisi) heeft een kaneelbruine onderzijde en een zwarte keel. Een geel-bruine gors met drie witte kopstrepen per zijde en een oranje borst in bosveld is vrijwel altijd deze soort.

Leefgebied

Droge en natte savanne en bosveld van allerlei soorten: acaciaveld, gemengd bosveld, mopane en de randen van miombo, verder plantages, parken en grote tuinen met bomen. Zoekt zaden en insecten op kale of kort begroeide grond onder bomen en vliegt bij verstoring naar een lage tak. Het komstvormige nest ligt laag in een struik of boompje.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in het noorden en oosten van Zuid-Afrika, in Eswatini, Zimbabwe, Botswana behalve het droogste zuidwesten, het centrale en noorden van Namibië, Mozambique, Zambia, Malawi en het zuiden van Angola; zeldzaam in Lesotho en ontbreekt in fynbos en de westelijke Karoo. Daarbuiten noordwaarts door Oost-Afrika tot in de Hoorn van Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar in bosveld, het makkelijkst in de broedtijd van september tot maart, wanneer mannetjes vanaf een zichtbare tak zingen. Buiten de broedtijd loopt hij onopvallend op de grond en wordt pas gezien als hij opvliegt en de witte staartzijden laat zien. Tel bij twijfel de witte kopstrepen: de witte streep onder het oog en de kastanjebruine mantel sluiten Cabanis' gors uit.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid. Profiteert plaatselijk van tuinen en aangeplante bomen, maar verdwijnt waar bosveld volledig wordt omgezet in akkerland.

Wetenschappelijke naam

Emberiza flaviventris | Stephens, 1815

Stephens beschreef de soort in 1815 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. flaviventris komt van het Latijnse flavus, 'geel', en venter, 'buik' — naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.