Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Codringtons staalvink

Codringtons staalvink | Vidua codringtoni

Zambezi Indigobird | Viuda Verdosa

De Codringtons staalvink is een weinig bekende staalvink van ruigten langs bosranden in het Zambezi-bekken en aangrenzende gebieden. Het mannetje heeft een groenige glans, een witte snavel en bleekrode poten. Hij parasiteert op de rode druppelastrild en bootst diens roepen na.

Codringtons staalvink (Vidua codringtoni)
Foto: Corrie du Toit — CC0 1.0 · iNaturalist

Geluid

Een snelle mengeling van scheldende en piepende tonen, afgewisseld met nabootsingen van de rode druppelastrild, zoals een ijl, trillerig tsiiiii-tsi-tsi en zachte tikkende roepjes. De roep is een kort tsjip.

Luister: ZangXC1101212

Opname: Magnus Wadstein — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, klein en gedrongen. Het mannetje in broedkleed is glanzend groenzwart, bij goed licht met een lichtere, grijzige waas over kop en borst, en met geheel zwarte vleugels zonder bruin paneel. De snavel is wit, de poten bleekrood. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn bruin met donkere streping op de rug, met een markante kopstreping van lichte kruin- en wenkbrauwstreep en donkere zijkruin- en oogstrepen, en een bleke onderzijde met een grijze waas over de borst. Jonge vogels zijn egaal bruin.

Verwarrings­soorten

De staalvink (Vidua chalybeata) heeft in het grootste deel van het gebied een rode snavel en een blauwe glans. De purperstaalvink (Vidua purpurascens) heeft een paarse glans, zeer bleke, witroze poten en een bruinig vleugelpaneel. De groene staalvink (Vidua funerea) is dof blauwzwart met roodachtige poten. De groene glans en de volledig zwarte vleugels zijn de beste kenmerken van het mannetje, maar het nabootsen van de rode druppelastrild geeft pas zekerheid.

Leefgebied

Randen van rivierbegeleidend bos en groenblijvend laaglandbos, dichte ruigten en struwelen in de buurt daarvan, en ruige vegetatie in acaciabosveld. Zoekt zaden op de grond in de dekking van struiken, vaak samen met de rode druppelastrild (Hypargos niveoguttatus), in wiens nesten hij zijn eieren legt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Plaatselijk in het noordoosten van het gebied: het noordwesten en oosten van Zimbabwe, aangrenzend midden- en noord-Mozambique, Malawi en verspreide plekken in Zambia. Daarbuiten alleen in het zuiden van Tanzania.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de zomer langs bosranden bij rivieren en in de ruigte van het oosten van Zimbabwe of Malawi naar een zingend staalvinkmannetje op een uitstekende tak. Een witte snavel en een groenige glans gecombineerd met nabootsingen van de rode druppelastrild bevestigen de soort. Vooral in overgangszones waar ook de staalvink voorkomt, is geluid onmisbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar plaatselijk en weinig bekend. Kap van rivier- en laaglandbos kan de soort en zijn waard lokaal treffen.

Wetenschappelijke naam

Vidua codringtoni | (Neave, 1907)

Neave beschreef de soort in 1907 als Hypochaera codringtoni; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vidua werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Vidua is het Latijnse woord voor 'weduwe'. codringtoni eert Robert Edward Codrington (1869–1908), van 1898 tot 1907 gouverneur van Noord-Rhodesië (het huidige Zambia). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Molilo's, bij Petauke, Zambia.