Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Congolese bonte tok

Congolese bonte tok | Lophoceros fasciatus

Congo Pied Hornbill | Toco Blanquinegro del Congo

De Congolese bonte tok is een zwart-witte neushoornvogel van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, die het gebied alleen in het noorden van Angola bereikt. Hij leeft in luidruchtige groepen in de kruinen van bosranden, secundair bos en boomrijk cultuurland.

Congolese bonte tok (Lophoceros fasciatus)
Foto: Gianluco — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange reeks hoge, klagende fluittonen, pie-pie-pie-pieuw-pieuw, vaak door meerdere vogels tegelijk, en een blaffend gekakel. Het geluid is een van de meest gehoorde in Centraal-Afrikaans bos.

Luister: DuetXC1011802

Opname: Matthew L. Brady — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 52 cm. Kop, hals, borst, bovendelen en vleugels zijn zwart met een lichte glans, de buik is wit. De staart is zwart met brede witte punten aan alle pennen behalve het middelste paar. De snavel is bleek crèmegeel met een donkere, roodbruine basis en punt en een lage helm, bij het vrouwtje kleiner en met meer donker. De naakte huid rond het oog is zwartachtig, de iris bruin. Jonge vogels hebben een kleinere, egaal lichte snavel. Vliegt in golvende lijnen tussen de boomkruinen.

Verwarrings­soorten

De fluitneushoornvogel (Bycanistes fistulator) is groter, heeft een donkere snavel met een helm en veel wit in de vleugels in de vlucht. De gekroonde tok (Lophoceros alboterminatus) is donkerbruin met een rode snavel. De blauwkeelneushoornvogel (Ceratogymna atrata) is veel groter, met een zwarte snavel en helm en een blauwe keel. De West-Afrikaanse vorm semifasciatus, met meer zwart op de snavel, wordt soms als aparte soort beschouwd.

Leefgebied

Randen van laaglandregenwoud, galerijbos, secundair bos, open plekken en cultuurland met verspreide hoge bomen, tot in dorpen. Eet vooral vruchten, daarnaast insecten die in het bladerdak of in vlucht worden gevangen. Broedt in boomholten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden van Angola: Cabinda, de noordwestelijke provincies zoals Uíge en Cuanza Norte en het noordoosten in de Lunda's. Verder door het Centraal-Afrikaanse regenwoudgebied van Nigeria en Kameroen tot Oeganda en het zuiden van de Democratische Republiek Congo.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Noord-Angola het best te vinden in het Maiombe-bos van Cabinda en in de bosrestanten van Uíge. Groepen verraden zich door hun fluitende koor en zijn goed te zien wanneer ze over open plekken van boom naar boom vliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in Centraal-Afrika algemeen; de soort verdraagt secundair bos en cultuurland met bomen goed. In Angola is het areaal klein en staat het resterende bos onder druk van houtkap en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Lophoceros fasciatus | (Shaw, 1812)

Shaw beschreef de soort in 1812 als Buceros fasciatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lophoceros werd in 1833 ingevoerd door Hemprich & Ehrenberg. Lophoceros komt van het Griekse lophos, 'kam, kuif', en keras, 'hoorn' — naar de kamvormige verhoging (casque) op de snavel. fasciatus is Latijn voor 'gebandeerd' — naar de zwart-witte tekening van de staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.