Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Drakensbergprinia

Drakensbergprinia | Prinia hypoxantha

Drakensberg Prinia | Prinia del Drakensberg

De Drakensbergprinia is de oostelijke tegenhanger van de Karooprinia: een langstaartige, gestreepte prinia van ruige begroeiing aan bosranden, in kloven en langs beken in het berg- en heuvelland van het oosten van Zuid-Afrika. Hij werd lange tijd als ondersoort van de Karooprinia behandeld, maar verschilt in kleur van de onderdelen, leefgebied en verspreiding. De soort komt nergens buiten Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini voor.

Drakensbergprinia (Prinia hypoxantha)
Foto: Alandmanson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een scherp, herhaald tsjiep-tsjiep-tsjiep of tlip-tlip-tlip, en bij onrust een raspend tsjrrrt. De zang is een snelle reeks van dezelfde tonen, soms overgaand in een droge triller. Paren houden veel contact met elkaar en roepen vaak om beurten.

Luister: RoepXC935289

Opname: Daan van der Hoeven — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, waarvan ongeveer de helft staart. De bovendelen zijn warm olijfbruin, de lange, getrapte staart heeft donkere voorpunten en lichte punten op de pennen. Een smalle lichte wenkbrauwstreep loopt tot achter het oog; de teugel is donker. Keel en borst zijn lichtgeel tot bleek zwavelgeel met fijne, vrij spaarzame donkere streepjes, die op de flanken vervagen; buik en flanken zijn warmer geel tot okergeel. De iris is lichtbruin tot oranjebruin, de snavel zwart, de poten roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn geler en vrijwel ongestreept. Houdt de staart vaak schuin omhoog en beweegt levendig door ruigte en struweel.

Verwarrings­soorten

De Karooprinia Prinia maculosa is zeer gelijkend, maar heeft een witte tot vuilwitte onderzijde met grovere, zwarte druppelvlekken en koelere, grijzere bovendelen; hij leeft in fynbos en Karoostruweel verder naar het westen en zuidwesten, met een smalle overgangszone in de Oost-Kaap. De zwartborstprinia Prinia flavicans heeft in broedkleed een zwarte borstband en is buiten de broedtijd ongestreept geel van onderen; hij leeft in droog doornveld en niet in bergruigte. De roestflankprinia Prinia subflava is ongestreept, met witte keel en roestbeige flanken. Een gele, fijn gestreepte prinia in bergruigte in het oosten is vrijwel altijd een Drakensbergprinia.

Leefgebied

Ruigte, adelaarsvaren, hoog gras en struikgewas aan de randen van afromontaan bos, in beboste kloven en langs beken en bronnen in berggrasland, tot in ruige tuinen, plantagesranden en braakliggende grond. Komt voor van ongeveer 900 m tot hoog in de Drakensberg. Foerageert laag in de begroeiing op kleine insecten en spinnen, meestal in paren of kleine familiegroepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het oosten van Zuid-Afrika: de Limpopo-escarpment (Soutpansberg, Wolkberg en Magoebaskloof), het Mpumalanga-escarpment en het oostelijke Hoogveld, het oosten van de Vrijstaat, KwaZulu-Natal van de Drakensberg tot het binnenland, en de Oost-Kaap tot in de Amatola-bergen; verder in het westen van Eswatini en in de dalen en laaggelegen randen van Lesotho. Endemisch voor dit gebied; komt nergens anders voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; goede plekken zijn Magoebaskloof en Haenertsburg, de omgeving van Dullstroom en Kaapsehoop, Golden Gate, de uitlopers van de Drakensberg bij Giant's Castle en Sani Pass, en Hogsback in de Oost-Kaap. Loop langs een bosrand of een begroeide beek en luister naar het scherpe tsjiep; de vogel komt vaak naar de rand van de ruigte en zit dan even bovenop een varen of struik.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen binnen zijn beperkte areaal, en plaatselijk profiterend van ruigte langs plantages en wegen. Grootschalige bebossing met exoten, intensieve begrazing en het frequent afbranden van grasland verkleinen elders het geschikte leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Prinia hypoxantha | (Sharpe, 1877)

Sharpe beschreef de soort in 1877 als Drymoeca hypoxantha; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. hypoxantha komt van het Griekse hupo, 'onder', en xanthos, 'geel' — naar de gelere onderdelen dan bij de verwante Karooprinia. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seymour (voorheen Eland's Post), Oost-Kaap.