Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Zebraprinia

Zebraprinia | Prinia bairdii

Banded Prinia | Prinia Barrada

De zebraprinia is een donkere bosprinia met een lange staart en een wit-zwart gebandeerde keel en borst, die in paren of familiegroepjes door de ondergroei van vochtig bos trekt. Het is een soort van het Centraal-Afrikaanse regenwoud; in het gebied bereikt hij alleen de natte bossen van het noordwesten van Angola, waar een eigen ondersoort leeft.

Zebraprinia (Prinia bairdii)
Foto: Attila Steiner — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Luidruchtig. De zang is een snelle, doordringende reeks herhaalde tonen, tsjwiep-tsjwiep-tsjwiep of tswi-tswi-tswi, vaak als duet waarbij de partner met een ratelend tsjrrr antwoordt. Contactroep een scherp tsjip. Het geluid is meestal het eerste teken van een groepje in de ondergroei.

Luister: ZangXC1176992

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een lange, getrapte staart. Kop en bovendelen zijn donker roetbruin tot bijna zwart, zonder wenkbrauwstreep. De vleugeldekveren hebben opvallende witte puntjes, die twee of drie rijen stippen op de gesloten vleugel vormen, en de staartpennen dragen witte vlekjes aan de toppen, zodat de uitgespreide staart gestippeld lijkt. Keel, borst en flanken zijn wit met dichte, smalle zwarte dwarsbandjes; de buik is witter, met een okerkleurige tint op de onderstaartdekveren. De iris is lichtgeel tot oranje, de snavel zwart, de poten roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en minder scherp gebandeerd. Wipt en zwaait de staart voortdurend.

Verwarrings­soorten

In het gebied met geen andere prinia te verwarren. De witkeelprinia Schistolais leucopogon leeft in dezelfde Angolese bosranden, maar is egaal leigrijs met een witte keel, zonder bandering en zonder witte vleugelstippen. De mekkercamaroptera Camaroptera brachyura is grijs met groene vleugels en een korte staart. De gebandeerde savannezanger Calamonastes fasciolatus is ook gebandeerd van onderen, maar is bruin, kortstaartig en leeft in droge savanne ver buiten het bos. De combinatie van donkere bovendelen, gebandeerde onderzijde en witte vleugelstippen is kenmerkend.

Leefgebied

Dichte ondergroei aan de randen van vochtig laaglandbos en galerijbos, in open plekken met ruigte, varens en ranken, langs bospaden en in oude kapvlakten met opslag. Foerageert laag tot op middelhoogte op kleine insecten, in paren of groepjes van drie tot zes vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noordwesten van Angola, in de natte bossen van het noordelijke escarpment (onder meer in Cuanza Norte en Uíge); daar leeft de ondersoort heinrichi. Daarbuiten van het zuidoosten van Nigeria en Kameroen door het Congobekken tot in het oosten van Congo-Kinshasa, Oeganda, Rwanda, Burundi en het westen van Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; zoek in Angola langs ruige bosranden en bospaden in het noordwestelijke escarpment, bijvoorbeeld in de omgeving van Ndalatando en in Uíge. Luister naar het doordringende duet en wacht bij een opening in de ondergroei; de vogels komen vaak kort in het zicht, de gestippelde staart gespreid.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in een groot areaal in Centraal-Afrika. In Angola hangt de soort af van de resterende natte bossen van het escarpment, die door kap, landbouw en koffieteelt onder druk staan; het zeer beperkte Angolese areaal maakt de plaatselijke populatie kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Prinia bairdii | (Cassin, 1855)

Cassin beschreef de soort in 1855 als Drymoica Bairdii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. bairdii eert de Amerikaanse natuuronderzoeker Spencer Fullerton Baird (1823–1887) van het Smithsonian Institution. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mondahrivier, Gabon.