Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Roodvleugelprinia

Roodvleugelprinia | Prinia erythroptera

Red-Winged Prinia | Prinia Alirroja

De roodvleugelprinia, ook bekend als roodvleugelzanger, is een langstaartige prinia met een opvallend kastanjebruin vleugelpaneel, die verborgen leeft in hoog gras onder de bomen van natte savanne en bosveld. Hij wordt vaak in een eigen geslacht Heliolais geplaatst. In het gebied is het een schaarse, plaatselijke soort van het oosten, van Malawi en Mozambique tot het oosten van Zambia en Zimbabwe.

Roodvleugelprinia (Prinia erythroptera)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, heldere reeks gelijke tonen, tsji-tsji-tsji-tsji of pie-pie-pie, vanaf een verhoogde tak of grashalm, soms als duet. Contactroep een zacht tsjup en bij onrust een droog geratel. Buiten de zangtijd stil en moeilijk te vinden.

Luister: ZangXC940934

Opname: Victor Ikawa — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een lange, getrapte staart. Het broedkleed is grijsbruin van boven met een grijzere kruin en nek; de randen van de slagpennen zijn helder kastanjebruin en vormen een roodbruin vleugelpaneel dat ook in vlucht opvalt. De staartpennen hebben een donkere voorpunt en een lichte top. De onderdelen zijn vuilwit tot licht okerkleurig, warmer op de flanken. Er is een vage lichte teugel maar geen duidelijke wenkbrauwstreep. De iris is oranjegeel tot lichtbruin, de snavel donker met lichte ondersnavel, de poten roze. Buiten de broedtijd zijn de bovendelen warmer roodbruin en de staart langer. De seksen zijn gelijk. Klautert laag door het gras, de staart vaak opgewipt.

Verwarrings­soorten

De roestflankprinia Prinia subflava heeft ook roestbruine randen aan de vleugelpennen, maar minder uitgesproken, en heeft een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en roestbeige flanken; hij is veel algemener en leeft ook in tuinen en akkerranden. De witbrauwgraszanger Cisticola cantans heeft een roodbruin vleugelpaneel én een roodbruine kruin, een kortere staart en een ander, fluitend geluid. De roodmaskergraszanger Cisticola erythrops heeft een roodbruin gezicht en geen vleugelpaneel. De combinatie van de lange staart, het roodbruine vleugelpaneel en het ontbreken van een wenkbrauwstreep wijst op de roodvleugelprinia.

Leefgebied

Hoog, ruig gras en lage struiken onder de bomen in natte miombo en ander breedbladig bosveld, vooral op plekken die niet jaarlijks afbranden, ook aan de randen van vleien en in verlaten akkers met opslag. Foerageert laag in het gras op insecten, in paren of familiegroepjes, en is buiten het broedseizoen onopvallend.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied schaars en plaatselijk in het oosten: het zuiden en midden van Malawi, het noorden en midden van Mozambique (onder meer de vlakten rond Gorongosa), plaatselijk in het oosten en noordoosten van Zambia en uiterst lokaal in het oosten van Zimbabwe. Daarbuiten van Senegal oostwaarts door de Sahelrand en Soedansavanne tot Ethiopië, en van Kenia zuidwaarts door Tanzania; in het gebied leeft de ondersoort rhodoptera.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond aanwezig, maar vooral te vinden in het regenseizoen, van november tot maart, wanneer de vogels zingen. Zoek in hoog gras onder de bomen in de vlakten rond Gorongosa of in onverbrande grasplekken in het bosveld van zuidelijk Malawi. Luister naar de heldere reeks tsji-tsji-tsji van een zingende vogel op een grashalm; eenmaal in het gras is hij lastig terug te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd over het grote Afrikaanse areaal. In het gebied schaars en slecht gekend; de soort is gevoelig voor jaarlijkse grasbranden en het omzetten van bosveld in akkers, en lijkt afhankelijk van plekken met langdurig ongestoord hoog gras.

Wetenschappelijke naam

Prinia erythroptera | (Jardine, 1849)

Jardine beschreef de soort in 1849 als Drymoica erythroptera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. erythroptera komt van het Griekse eruthros, 'rood', en pteron, 'vleugel' — naar de roestrode vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit West-Afrika; het type komt uit Ghana.