Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Dwergarend
Dwergarend | Hieraaetus pennatus
Booted Eagle | Águila Calzada
De dwergarend is een kleine, buizerdachtige arend met bevederde poten en twee duidelijk verschillende kleurvormen. Zuidelijk Afrika kent twee populaties: overwinteraars uit Europa en Noord-Afrika, en een kleine broedpopulatie die in de West- en Noordkaap op kliffen nestelt.
Geluid
Vrij luidruchtig bij het nest: een hoog, schel en snel kli-kli-kli-kli of een tweelettergrepig fluitend pie-je, vooral in de baltsvlucht. Overwinteraars zijn meestal stil.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
45–55 cm, spanwijdte 110–135 cm. Ter grootte van een buizerd, maar met langere, bredere vleugels met zes ‘vingers’ en een langere, recht afgesneden staart. In beide vormen zijn van boven een lichte band over de middelste vleugeldekveren, een lichte bovenstaartdekverenvlek en twee witte ‘landingslichten’ aan de vleugelbasis te zien. De lichte vorm is van onderen roomwit met zwarte slagpennen die scherp afsteken tegen de witte ondervleugeldekveren; de binnenste handpennen zijn lichter. De donkere vorm is van onderen egaal bruin tot roodbruin, met een lichter venster in de binnenste handpennen. De staart is van onderen grijsachtig, zonder duidelijke banden. Jonge vogels lijken op de volwassen vogels.
Verwarringssoorten
De Wahlbergs arend Hieraaetus wahlbergi heeft smallere, recht afgesneden vleugels, een langere, smallere staart, een kuifje en geen landingslichten. De Ayres' havikarend Hieraaetus ayresii heeft zwaar gevlekte onderdelen en een gebandeerde staart. De zwarte wouw Milvus migrans heeft een gevorkte staart. De buizerd Buteo buteo heeft kale poten, een gebandeerde staart en mist de landingslichten en de lichte bovenstaartdekveren. De kaalkopkiekendief Polyboroides typus is grijs en veel groter.
Leefgebied
De broedvogels leven in bergachtig fynbos, renosterveld en de randen van de Karoo, met kliffen of kloven voor het nest. Overwinteraars komen voor in open savanne, doornveld, bosveld en landbouwgebied. Jaagt vooral op vogels, zoals duiven, spreeuwen en leeuweriken, verder op hagedissen en knaagdieren, vaak na een duik vanuit grote hoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
De Europese en Noord-Afrikaanse vogels zijn wijd verspreid maar schaars in de savannes van het noorden en midden van het gebied: Namibië, Botswana, Zimbabwe, Zambia, het noorden van Zuid-Afrika en ook het westen. De eigen broedpopulatie nestelt in de West-Kaap, Noordkaap (Namakwaland) en de westelijke Karoo, en mogelijk in het zuiden van Namibië; na het broeden trekt ze naar het noorden, naar Namibië en Botswana. Verder broedt de soort van Noord-Afrika en Spanje tot Centraal-Azië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara en in India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de West-Kaap zijn broedende dwergarenden in het voorjaar (september–november) boven kloven in de Cederberg, de bergen rond Kaapstad en de Karoo te zien. Een lichte vorm in zweefvlucht is onmiskenbaar door het contrast tussen witte dekveren en zwarte slagpennen. Bij een donkere vorm zijn de landingslichten, de lichte vleugelband op de bovenvleugel en de lichte stuit de sleutel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst. De Zuid-Afrikaanse broedpopulatie is klein maar lijkt sinds het midden van de twintigste eeuw te zijn toegenomen, mogelijk mede door het aanplanten van bomen en de toename van duiven in het boerenland. Vergiftiging en elektrocutie zijn plaatselijke risico's.
Wetenschappelijke naam
Hieraaetus pennatus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco pennatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hieraaetus werd in 1844 ingevoerd door Kaup. Hieraaetus is Grieks, van hierax 'havik' en aetos 'arend'. pennatus is Latijn voor 'gevederd', naar de tot op de tenen bevederde poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld in de oorspronkelijke beschrijving.


