Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Dwergbijeneter

Dwergbijeneter | Merops pusillus

Little Bee-Eater | Abejaruco Chico

De dwergbijeneter is de kleinste en meest verspreide bijeneter van het gebied: een grasgroen vogeltje met een gele keel dat laag boven gras en struiken jaagt. Paren en familiegroepjes zitten vaak dicht tegen elkaar aan op een lage tak.

Dwergbijeneter (Merops pusillus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog en kort sip of tsip-tsip, soms uitgroeiend tot een snel, zacht getjilp siddle-iddle-ip, vooral bij groepjes die samen op een tak zitten. Weinig opvallend en makkelijk over het hoofd te horen.

Luister: ZangXC810908

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 16 cm, met een rechte, licht ingekeepte staart zonder verlengde pennen. Bovendelen grasgroen, keel helder geel en daaronder een zwarte halsband; de borst is warm okerbruin en gaat over in een lichtere, bleek kaneelkleurige buik. Een zwarte oogstreep, bij veel vogels met een smalle blauwe lijn erboven. In vlucht zijn de vleugels kaneelkleurig met een zwarte achterrand, en de staart is roestbruin met een zwarte eindband en groene middenpennen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels missen de zwarte halsband en zijn groener op de borst.

Verwarrings­soorten

De zwaluwstaartbijeneter (Merops hirundineus) is groter, heeft een blauwe in plaats van zwarte halsband, een blauwgroene buik en een diep gevorkte blauwe staart. De blauwborstbijeneter (Merops variegatus), in Zambia en Angola, is groter met een witte wangvlek en een blauwzwarte borstband. Böhms bijeneter (Merops boehmi) heeft een roestrode kruin, een groene buik en lange staartpunten.

Leefgebied

Randen van savanne en bosveld met hoog gras en struikgewas, oeverbegroeiing, rietranden bij vleien en dammen, en ruig terrein bij akkers en wegbermen. Jaagt vanaf een lage uitkijkpost, vaak niet meer dan een meter boven de grond, op kleine vliegende insecten. Nestelt in een gang in een lage oever, de wand van een sloot of een aardvarkenhol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het noorden en oosten van het gebied: vrijwel heel Zambia, Malawi, Mozambique en Angola, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, Noord-Namibië, Eswatini en het noorden en oosten van Zuid-Afrika tot in KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap. Ontbreekt in het dorre westen en de Kaap. Verder over bijna heel Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar langs rivieren en vleien in het laagveld, het Okavango- en Chobegebied en de Zambezivallei. Speur de lage takken boven hoog gras af: de vogels vliegen korte rondjes en keren steeds naar dezelfde tak terug. In de vroege ochtend zitten groepjes soms tot vijf of zes op een rij tegen elkaar aan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen over het hele areaal. De soort verdraagt verstoord terrein goed en profiteert plaatselijk van wegbermen en akkerranden met ruigte.

Wetenschappelijke naam

Merops pusillus | Müller, 1776

Müller beschreef de soort in 1776 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. pusillus is Latijn voor 'heel klein' — het is de kleinste Afrikaanse bijeneter. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.