Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Fitis
Fitis | Phylloscopus trochilus
Willow Warbler | Mosquitero Musical
De fitis is de talrijkste Palearctische trekvogel van het gebied: van oktober tot april zit vrijwel elke boomrijke plek in het oosten en midden vol met deze kleine, rusteloze bladzangers. In de laatste maanden voor het vertrek zingen ze volop, zodat hun zachte, dalende strofe dan een van de vertrouwde geluiden van het bosveld is.
Geluid
De zang is een zachte, melodieuze, dalende reeks fluittonen die langzaam uitloopt, si-si-si-sui-sui-sue-sue-swee-swiet, vooral vanaf januari tot het vertrek in april te horen, vaak vanuit een boom in de tuin. De roep is een zacht, tweelettergrepig, stijgend hoe-iet, dat de soort ook zonder zang verraadt.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
11–12 cm, slank en rusteloos, met een fijn, spits snaveltje en een middellange handpenprojectie. De bovendelen zijn olijfgroen tot grijsgroen, de onderdelen vuilwit met een gele waas op keel en borst. Een duidelijke, lichte wenkbrauwstreep loopt tot ver achter het oog en een donkere oogstreep begrenst hem. De poten zijn meestal lichtbruin tot vleeskleurig. Eerstejaarsvogels zijn in de zomer opvallend geel van onderen, vooral na de rui van december–februari. Vogels uit het oosten van het broedgebied (Siberië) zijn veel grijzer en bruiner, met nauwelijks geel, en worden gemakkelijk voor een andere soort gehouden. Wipt voortdurend met de staart en flitst met de vleugels bij het foerageren.
Verwarringssoorten
De spotvogel Hippolais icterina is groter en logger, met een brede oranjeroze snavel, een licht vleugelpaneel, een vlakke kop met kort geel wenkbrauwstreepje en blauwgrijze poten. De fluiter Phylloscopus sibilatrix, een dwaalgast, heeft een scherpe grens tussen gele keel en witte buik en een lange handpenprojectie. De roodkapboszanger Phylloscopus ruficapilla heeft een roodbruine kruin en leeft als standvogel in bergbos, Boultons boszanger Phylloscopus laurae is kleiner, feller geel en groen, met ronde vleugels, en blijft in miombo en galerijbos van Zambia en Angola. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis is grijs met alleen een gele buik en heeft een kort staartje. De tuinfluiter Sylvia borin is grijsbruin, zonder wenkbrauwstreep, met een korte, stompe snavel.
Leefgebied
Vrijwel elk type bos en boomrijke omgeving: gemengd bosveld, miombo, acaciasavanne, oeverbos, bosranden, plantages, parken en tuinen. Mijdt gesloten regenwoud en boomloze gebieden. Foerageert in het bladerdak en de struiklaag op kleine insecten, vaak in gemengde groepen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied wijdverspreid en algemeen in het oosten, midden en noorden: Zuid-Afrika (vooral Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap, schaarser in de West-Kaap), Eswatini, Lesotho (plaatselijk), Botswana, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola; in Namibië vooral in het noorden en midden. Schaars in de droogste delen van het westen, zoals de Namib en de Karoo. Broedt van West-Europa tot Oost-Siberië en overwintert in vrijwel geheel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van november tot april vrijwel overal in boomrijke omgeving; het gemakkelijkst in februari en maart, wanneer de vogels volop zingen en na de rui fris gekleurd zijn. Let op het voortdurende staartwippen en luister naar het zachte hoe-iet; een grijze, geelloze vogel is vrijwel altijd een oostelijke fitis en geen zeldzaamheid.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en met een zeer grote wereldpopulatie. In het zuidwesten van het broedgebied, vooral in Groot-Brittannië, is de soort duidelijk afgenomen, mogelijk mede door veranderingen in de Afrikaanse overwinteringsgebieden. In het gebied zelf geen duidelijke bedreiging.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus trochilus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Trochilus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. trochilus is het Oudgriekse trokhilos, 'winterkoninkje', bij de klassieke schrijvers de naam van een klein vogeltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland ten zuiden van de Theems.


