Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Fluiter

Fluiter | Phylloscopus sibilatrix

Wood Warbler | Mosquitero Silbador

De fluiter is een heldergroene Palearctische bladzanger met een zwavelgele keel en een zuiver witte buik, die in het regenwoud van West- en Centraal-Afrika overwintert. Het gebied ligt ten zuiden van zijn gewone winterkwartier: er zijn slechts enkele waarnemingen, vooral uit het noorden, en elke vogel verdient een zorgvuldige documentatie.

Fluiter (Phylloscopus sibilatrix)
Foto: Mike Duchstein — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het winterkwartier meestal stil; de roep is een zacht, klagend pjuu of sip. Voor het vertrek in het voorjaar is soms de zang te horen: een versnellende reeks droge tikken die overgaat in een zinderende triller, sip-sip-sip-sipsiprrrrrrr, soms afgewisseld met een reeks weemoedige fluittonen, pjuu-pjuu-pjuu.

Luister: ZangXC1152652

Opname: Sunny Tseng — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, met lange vleugels en een relatief korte staart, wat de vogel een compact, ‘langgerekt-voor’ silhouet geeft. De bovendelen zijn fris geelgroen, de vleugelpennen en tertials donker met brede groengele randen. Een lange, heldere gele wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep geven de kop een duidelijk patroon. Keel, wangen en bovenborst zijn helder zwavelgeel en contrasteren scherp met de spierwitte buik en onderstaartdekveren. De handpenprojectie is lang, ongeveer zo lang als de tertials. De poten zijn geelbruin tot vleeskleurig, de snavel is vrij breed met een lichte ondersnavel. Na de rui in Afrika is het kleed vers en contrastrijk.

Verwarrings­soorten

De fitis Phylloscopus trochilus is de voor de hand liggende valkuil: hij is bleker en minder contrastrijk, heeft een kortere handpenprojectie, een langere staart, een gelige waas over de hele onderzijde of juist een vuilwitte borst, en mist de scherpe grens tussen gele keel en witte buik; zijn roep is een tweelettergrepig hoe-iet. De spotvogel Hippolais icterina is groter, heeft een zware oranjeroze snavel, een licht vleugelpaneel en een geheel gele onderzijde. De roodkapboszanger Phylloscopus ruficapilla en Boultons boszanger Phylloscopus laurae zijn standvogels met korte, ronde vleugels en een kortere wenkbrauwstreep; de eerste heeft een roodbruine kruin.

Leefgebied

In het winterkwartier het bladerdak van vochtig bos, bosranden, galerijbos en hoog opgaand loofhoutbos met gesloten kronen. Foerageert hoog in de bomen, vaak in gemengde groepen, en zoekt insecten door langs de bladeren te fladderen en ze van de onderkant te pikken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied een zeldzame dwaalgast met slechts enkele aanvaarde waarnemingen, vooral uit het noorden van Zambia en uit Malawi; elders in het gebied niet met zekerheid vastgesteld. Broedt in loofbos van West- en Midden-Europa oostwaarts tot West-Siberië en overwintert in de woudgordel van Afrika, van Guinee tot Oeganda en het noorden van Congo-Kinshasa.

Hoe en wanneer kijken

Het meest te verwachten tussen november en maart in hoog galerijbos in het noorden van Zambia of in Malawi, tussen gemengde groepen van bladzangers en brilvogels. Let op de combinatie van de scherpe grens tussen gele keel en witte buik met de lange vleugels. Een waarneming hoort met foto's of geluidsopname te worden vastgelegd en aan de nationale zeldzaamhedencommissie te worden voorgelegd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar de Europese populatie is in de laatste decennia sterk afgenomen, onder meer door veranderingen in het bos in het broedgebied en het verlies van bos in het West-Afrikaanse winterkwartier. Voor het gebied van deze gids is de soort een toevallige gast zonder betekenis voor bescherming.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus sibilatrix | (Bechstein, 1792)

Bechstein beschreef de soort in 1792 als Motacilla Sibilatrix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. sibilatrix is Latijn voor 'fluitster', van sibilare 'fluiten', naar de trillende zang van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bergen van Thüringen.