Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Huismus

Huismus | Passer domesticus

House Sparrow | Gorrión Común

De huismus is in zuidelijk Afrika een geïntroduceerde soort. Vanaf het eind van de negentiende eeuw in Durban en later in East London uitgezet, heeft hij zich langs spoorlijnen, wegen en nederzettingen over vrijwel het hele gebied verspreid. Hij leeft bijna uitsluitend bij mensen, van stadscentra tot boerenerven en tankstations in de Kalahari.

Huismus (Passer domesticus)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een eentonig, doordringend tjilpen, tsjiep of tsjirrup, door het mannetje eindeloos herhaald bij de nestplaats; groepen maken een druk gekwetter. Het alarm is een ratelend tsjurrr-r-r.

Luister: RoffelXC1180772

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 tot 15 cm, gedrongen, met een dikke kegelsnavel. Het mannetje heeft een grijze kruin en stuit, een kastanjebruine band van achter het oog naar de nek, grijswitte wangen en een zwarte teugel en keel die in het broedkleed doorloopt in een zwarte slab op de borst; de snavel is dan zwart. Buiten de broedtijd is de snavel hoornkleurig en de slab deels verborgen onder lichte veerranden. De rug is warm bruin met zwarte strepen, met één witte vleugelstreep. Het vrouwtje is van onder effen grijsbruin, met een gestreepte bruine rug en een bleke wenkbrauwstreep achter het oog; zij heeft geen zwart in het gezicht. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de Kaapse mus (Passer melanurus) heeft een zwarte kop met een brede witte C-vormige band en een kastanjerode rug; het vrouwtje heeft een grijze kop met een vage lichte halve cirkel achter het oog. De Mozambiquemus (Passer diffusus) heeft bij beide seksen een effen grijze kop zonder zwart en een roodbruine stuit. De roestmus (Passer motitensis) is groter, met veel meer roodbruin op kop en rug, en leeft in droge savanne, zelden in dorpen. Vrouwtjes van wevers en bisschoppen buiten het broedkleed hebben een spitsere of zwaardere snavel, een gele of bleke wenkbrauw die ook vóór het oog doorloopt, en vaak een gestreepte borst.

Leefgebied

Steden, dorpen, boerenerven, tankstations, veekralen, graansilo's en havens, vrijwel nooit ver van gebouwen. Eet zaden, graan, broodkruimels en afval en voert de jongen met insecten. Nestelt in gaten en spleten van gebouwen, onder dakranden, in lantaarnpalen en soms in oude nesten van zwaluwen of wevers; het nest is een slordige koepel van gras, papier en veren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Geïntroduceerd. Vogels van Indiase herkomst werden eind negentiende eeuw in Durban losgelaten en later volgden uitzettingen in East London; vandaar breidde de soort zich uit over heel Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Botswana, Namibië en Zimbabwe. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw is ze langs wegen en spoorlijnen ook Mozambique, Zambia en Malawi binnengedrongen, en in Angola vooral het zuiden. Van nature broedt de huismus in Europa, Noord-Afrika en een groot deel van Azië; elders op de wereld is ze vrijwel overal door de mens ingevoerd.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op een tankstation of camping foerageren huismussen vaak samen met Kaapse mussen: een goede gelegenheid om de kleden van beide seksen naast elkaar te leren. Let bij twijfel op de grijze kruin van het mannetje en de bleke streep achter het oog van het vrouwtje. Aan de noordrand van het areaal, bij nieuwe grensposten, mijnsteden en langs nieuwe wegen, zijn waarnemingen nog steeds de moeite van het melden waard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wereldwijd een van de meest verbreide vogels. In zuidelijk Afrika geïntroduceerd en in het noorden nog in uitbreiding. De soort concurreert met inheemse soorten zoals de Kaapse mus om nestplaatsen, maar die invloed lijkt beperkt. In delen van Europa zijn de aantallen sterk teruggelopen, vooral in steden.

Wetenschappelijke naam

Passer domesticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla domestica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. domesticus is Latijn voor 'bij het huis horend', naar het leven van de vogel in de nabijheid van de mens. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.