Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Roestmus
Roestmus | Passer motitensis
Great Sparrow | Gorrión Grande
De roestmus is een grote, schuwe mus van droge acaciasavanne, met bij het mannetje een grijze kruin, een roodbruine band van oog tot nek en een kastanjebruine rug. Hij lijkt op een forse, felgekleurde huismus, maar mijdt meestal menselijke bewoning en leeft in paartjes in het open doornveld.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een diep, vol tsjirrup en tsjierp-tsjierp, lager en voller dan bij de huismus, als zang langzaam herhaald vanaf een struik. Bij alarm een ratelend tsjurrrr.
Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15 tot 16 cm, groter en forser gesnaveld dan de huismus. Het mannetje heeft een grijze kruin en nek, een brede roodbruine band die vanaf achter het oog naar de nek en over mantel en schouders doorloopt, een zwarte teugel en een kleine zwarte keelvlek. De wangen zijn grijswit, de onderdelen lichtgrijs tot wit. De rug is helder kastanjebruin met zwarte streping, de stuit roodbruin, de vleugel met een witte vleugelstreep. Het vrouwtje heeft een grijze kruin, een bleker roodbruine band achter het oog, een lichte wenkbrauw en een grijze in plaats van zwarte keel. De snavel is zwart bij het mannetje, hoornkleurig bij het vrouwtje. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de huismus (Passer domesticus), een geïntroduceerde soort, is kleiner, met een bruinere band achter het oog, een doffer bruine rug en een grotere zwarte bef, en is aan gebouwen gebonden. De Kaapse mus (Passer melanurus) heeft bij het mannetje een zwarte kop met witte C-band en bij het vrouwtje een grijze kop zonder roodbruine band. De Mozambiquemus (Passer diffusus) heeft een geheel grijze kop zonder zwart. Formaat, de heldere roodbruine kopband en de open savanne als habitat zijn samen beslissend.
Leefgebied
Droge acaciasavanne en Kalahari-doornveld met verspreide bomen, vaak rond waterpunten en droge rivierbeddingen, ook in de Nama-Karoo met doornbomen. Leeft in paartjes of kleine groepjes en foerageert op de grond naar zaden en insecten; komt soms bij kampen en boerenerven, maar veel minder dan andere mussen. Bouwt een grote, slordige bal van gras met zijopening in een doornboom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied in het zuidwesten van Angola, het noorden en midden van Namibië, het grootste deel van Botswana behalve het noorden en noordoosten, het zuidwesten van Zimbabwe, en in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, de provincie Noordwest, het westen van Limpopo en het noordwesten van de Vrijstaat. Daarbuiten niet: nauw verwante mussen in Oost- en Noordoost-Afrika worden meestal als aparte soorten beschouwd.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best bij waterpunten in het Kgalagadi Transfrontier Park, de Centraal-Kalahari en Etosha, waar paartjes op de heetste uren komen drinken. Een ‘huismus’ ver van huizen in open doornveld verdient altijd een tweede blik. Let op de grijze kruin, de brede heldere roodbruine band en het grotere formaat.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Vrij algemeen in droge savanne, maar schaarser dan de Kaapse mus en de Mozambiquemus. Er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang; bij waterpunten in beschermde gebieden is hij plaatselijk algemeen.
Wetenschappelijke naam
Passer motitensis | Smith, 1836
Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. motitensis verwijst naar Motito, een zendingspost bij Kuruman in de Noord-Kaap. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Hopetown, Noord-Kaap, Zuid-Afrika.


