Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Gabonpalmlijster

Gabonpalmlijster | Cichladusa ruficauda

Rufous-Tailed Palm Thrush | Zorzal Palmero Colirrufo

De Gabonpalmlijster is de roodbruine palmlijster van West-Centraal-Afrika, die in het gebied de westelijke helft van Angola bewoont en langs de Kunene net Namibië bereikt. Hij leeft rond palmen en dichte begroeiing bij rivieren en dorpen, en valt vooral op door zijn melodieuze duetten.

Gabonpalmlijster (Cichladusa ruficauda)
Foto: David Graham — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een zoete, melodieuze reeks fluittonen en kwetterende noten, wie-tu-tuu-tsjie-wiedoe, vaak als duet en met nabootsingen, vooral bij zonsopgang en in de schemering. De roep is een scherp tsjik en een raspend tsjrrr bij alarm.

Luister: ZangXC362163

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een slanke vogel van 17 tot 18 cm met een lange staart. De bovenzijde is warm roodbruin, de kruin iets grijzer, de stuit en de staart helder kaneelrood. De keel is bleek crème tot witachtig zonder zwarte omlijsting, de borst en flanken licht grijsbruin, de buik vaalwit. Het oog is oranje tot roodbruin; snavel zwart, poten grijs. De seksen zijn gelijk. Loopt en rent over de grond met opgestoken staart en hangende vleugels, zoals de andere palmlijsters.

Verwarrings­soorten

De Zambesipalmlijster (Cichladusa arquata) heeft een zwarte halsband rond een crèmekleurige keel, een grijzere rug en een licht oog; hij leeft verder oostelijk en de verspreidingsgebieden raken elkaar niet. De bruinrugwaaierstaart (Cercotrichas hartlaubi) is kleiner, met een witte wenkbrauw, witte vleugelvlekken en een zwart-witte staarteind. De roodbuikkliftapuit (Thamnolaea cinnamomeiventris) is zwart met een roodbruine buik en leeft op rotsen.

Leefgebied

Dichte oeverbegroeiing met palmen, galerijbos, struweel aan de voet van rotswanden, mangroveranden en tuinen, erven en dorpen met olie- of waaierpalmen, van de kust tot ongeveer 1500 m. Foerageert op de grond op insecten. Het nest is een modderen napje, vaak op de bladvoet van een palm of op een richel van een gebouw.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het westen van Angola, van Cabinda en de kustvlakte bij Luanda zuidwaarts door de provincies Cuanza Sul, Benguela en Huíla tot Namibe, landinwaarts tot de voet van het escarpement; verder in het noordwesten van Namibië langs de Kunene bij Ruacana en Epupa. Buiten het gebied van Gabon en Kameroen tot de beide Congo's en de Centraal-Afrikaanse Republiek.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Namibië is de rivierbegroeiing rond Epupa- en Ruacanawaterval de plek om te zoeken, vooral waar makalanipalmen langs de Kunene staan. In Angola is hij geregeld te zien in het bos aan de voet van de rotsen bij de Lebapas. Luister in de vroege ochtend naar het fluitende duet en zoek daarna laag in de schaduw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en past zich goed aan tuinen en dorpen met palmen aan; de aantallen zijn stabiel. Het Namibische voorkomen is klein en gebonden aan de oeverbossen langs de Kunene, die door dammen en kap kwetsbaar zijn.

Wetenschappelijke naam

Cichladusa ruficauda | (Hartlaub, 1857)

Hartlaub beschreef de soort in 1857 als Bradyornis ruficauda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cichladusa werd in 1863 ingevoerd door Peters. Cichladusa komt van het Griekse kikhlē, 'lijster', en adousa, 'zangeres' — naar de rijke, gevarieerde zang van de palmlijsters. ruficauda komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en cauda, 'staart' — naar de roodbruine staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gabon.