Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Holenlawaaimaker

Holenlawaaimaker | Xenocopsychus ansorgei

Angola Cave Chat | Cosifa Angoleña

De holenlawaaimaker is een zwart-witte, langstaartige lawaaimaker van rotsige hellingen en kliffen in het westelijk hoogland van Angola, met een kleine voorpost net ten zuiden van de Kunene in Namibië. Als enige soort in zijn geslacht is hij een van de meest gezochte endemen van Angola.

Holenlawaaimaker (Xenocopsychus ansorgei)
Foto: desertnaturalist — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

De roep bestaat uit drie heldere fluittonen, oei-tie-tie, waarvan de eerste hoger is, soms in omgekeerde volgorde. De zang is een fluitend duuluulu, duuluu, duuluulu, afgewisseld met schorre tsjip-noten. Bij alarm een ruw birr-djarr. De stem draagt ver langs de rotswanden en is vaak het eerste teken van de soort.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Een slanke, langstaartige vogel van 18 tot 19 cm. Kop en bovenzijde zijn zwart tot zwartgrijs, met een lange, brede witte wenkbrauwstreep. De bovenstaartdekveren en de onderzijde zijn wit, en de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit, wat bij het opvliegen goed opvalt. Oog, snavel en poten zijn zwart. Het vrouwtje is iets kleiner; jonge vogels hebben een gelige waas op borst en flanken. Leeft alleen of in paren, springt over met korstmos begroeide rotsblokken en zit bij het zingen open op een rots of tak.

Verwarrings­soorten

De roodbuikkliftapuit (Thamnolaea cinnamomeiventris) leeft in hetzelfde rotsland, maar heeft een roodbruine buik en stuit en geen witte wenkbrauw. De witbrauwlawaaimaker (Cossypha heuglini) heeft ook een zwarte kop met witte wenkbrauw, maar een oranjerode onderzijde en staart en leeft in dicht oeverbos. De witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys) is kleiner en bruin met een gestreepte borst.

Leefgebied

Steile rotshellingen en kliffen van zandsteen en graniet met spleten en grotten, afgewisseld met dicht struweel, doornstruiken en bosranden, van ongeveer 700 tot 2200 m. Foerageert op de grond en op rotsblokken op insecten. Het nest is een kom in een rotsspleet of grot; broedt vooral van september tot november.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna endemisch voor Angola, bekend van een handvol plaatsen langs het westelijk escarpement en het centrale hoogland: N'dalatando, Kumbira, de berg Soque, de berg Moco, het Namba-gebergte en de Tundavala-kloof bij Lubango. Daarnaast een kleine populatie in de Zebra-bergen net ten zuiden van de Kunene in het noordwesten van Namibië. De soort komt buiten deze regio niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Tundavala bij Lubango is de klassieke plek: loop vroeg in de ochtend langs de randen van de kloof en luister naar de drie heldere fluittonen. De vogel is schuw in het struweel, maar gaat bij het zingen open op een rotsblok zitten; de witte staartzijden verraden hem als hij wegvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; eerder als gevoelig beschouwd, maar inmiddels teruggezet naar de laagste categorie omdat de rotsige leefgebieden weinig worden aangetast. Branden, houtkap en begrazing in de bosranden onder de kliffen vormen lokaal een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Xenocopsychus ansorgei | Hartert, 1907

Hartert beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Xenocopsychus voerde hij in datzelfde werk in. Xenocopsychus komt van het Griekse xenos, 'vreemd', en Copsychus, het geslacht van de ekstershama's — een 'afwijkende shama'. ansorgei eert de Brits-Duitse arts en verzamelaar William John Ansorge (1850–1913), die veel in Angola verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lubango, Angola.