Alle soorten › Zangvogels › Hyliota's › Geelbuikhyliota

Geelbuikhyliota | Hyliota flavigaster

Yellow-Bellied Hyliota | Hiliota Ventrigualda

De geelbuikhyliota is een klein, zwart-wit-geel boomvogeltje van de kruinen van open bos. Het mannetje valt op door de glanzend blauwzwarte bovenzijde, een lange witte vleugelvlek en een goudgele onderzijde. De hyliota's vormen een eigen Afrikaanse familie; in het noorden van het gebied overlapt deze soort met de sterk gelijkende Mashonahyliota.

Geelbuikhyliota (Hyliota flavigaster)
Foto: Tom Field — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog getjilp en een snelle, fluitende zang van korte, heldere noten, tsie-tsie-tswie-tsjuu, afgewisseld met ijle trillers. Contactroep een dun tsip. Niet luid; vaak alleen hoorbaar als de vogel vlakbij in een gemengde groep zit.

Luister: RoepXC660767

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Mannetje: bovenzijde glanzend zwart met een duidelijke staalblauwe glans. Op de vleugel een grote witte vlek die van de dekveren doorloopt over de binnenste armpennen (tertials), zodat een lange witte baan ontstaat. Onderzijde geel, op de borst dieper oranjegeel, naar de onderstaart lichter. Het vrouwtje is van boven leigrijs met een zwakke blauwe glans, met dezelfde witte vleugelvlek en een lichtere gele onderzijde. Snavel kort en spits, zwart; poten grijs. Foerageert rusteloos in het buitenste blad van de kruin.

Verwarrings­soorten

De Mashonahyliota Hyliota australis is het grootste risico: het mannetje is dof fluweelzwart zonder blauwe glans, de witte vlek beperkt zich tot de vleugeldekveren en loopt niet door over de tertials, en de onderzijde is meestal bleker geel; het vrouwtje is bruinachtig in plaats van leigrijs. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis is grijs van boven zonder zwart of wit. De violetrughoningzuiger Anthreptes longuemarei heeft een violetglanzende bovenzijde maar een witte keel en borst en geen witte vleugelvlek.

Leefgebied

Open en halfopen bos met grote bomen: miombo, gemengd breedbladig bosveld, boomrijke savanne en bosranden, ook tuinen en aanplant met hoge bomen. Leeft vrijwel uitsluitend in de kruinen en zoekt daar tussen blad en twijgen naar kleine insecten en rupsen; sluit zich buiten de broedtijd aan bij gemengde groepen van mezen, eremomela's en vliegenvangers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden en oosten van Angola, het noorden en westen van Zambia, Malawi en het noorden van Mozambique, overal schaars en plaatselijk. Waarnemingen ten zuiden van de Zambezi vragen om goede documentatie vanwege de verwarring met de Mashonahyliota. Daarbuiten van Senegal oostwaarts door de savannegordel tot Ethiopië en Kenia, en zuidwaarts door DR Congo en Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in grote, gezonde miombo met gemengde groepen, bijvoorbeeld in noordelijk Zambia en in het binnenland van Malawi. Blijf bij zo'n groep en kijk omhoog naar de buitenste twijgen; de witte vleugelbaan valt het eerst op. Beoordeel bij elk mannetje glans en de uitbreiding van het wit over de tertials.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverbreid over een zeer groot gebied, al is de soort in zuidelijk Afrika schaars. Kap van miombo voor houtskool en landbouw vermindert plaatselijk het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Hyliota flavigaster | Swainson, 1837

Swainson beschreef de soort in 1837 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Hyliota voerde hij in datzelfde werk in. Hyliota komt van het Griekse huleiōtēs, 'bosbewoner', een bijnaam van de god Pan, van hulē, 'bos, woud'. flavigaster combineert het Latijnse flavus, 'geel', met het Griekse gastēr, 'buik' — naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.