Alle soorten › Zangvogels › Hylia's › Meeshylia
Meeshylia | Pholidornis rushiae
Tit Hylia | Hilia Estriada
De meeshylia is met ongeveer 8 cm een van de kleinste vogels van Afrika: een piepklein, kortstaartig boomvogeltje met een gestreepte kop en borst, een gele buik en felle oranje poten. Hij leeft in kleine groepjes hoog in het bos en bouwt een opvallend groot, rond hangnest. In het gebied komt hij alleen in het noorden van Angola voor.
Geluid
Een ijl, hoog en scherp tsip of tsie-tsie, vaak herhaald als contactroep binnen het groepje, en een zacht, snel gesjilp. Door de hoge toon en de grote hoogte van de vogels gemakkelijk te missen.
Opname: Mike Nelson — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
7,5–8 cm. Kop, keel en borst lichtbeige tot grijsbruin met dichte donkerbruine lengtestreepjes; de mantel is olijfbruin, de stuit helder geel. De onderborst en buik zijn geel. De snavel is kort, spits en donker; de poten zijn opvallend oranje tot vleeskleurig. De staart is zeer kort, wat het vogeltje een mees- of kapokmeesachtig silhouet geeft. Jonge vogels zijn doffer en minder gestreept. Beweegt snel en rusteloos door het bladerdak, vaak hangend aan twijgjes en bladstelen.
Verwarringssoorten
De groene krombek Sylvietta virens heeft een vergelijkbaar staartloos silhouet, maar is ongestreept bruinig olijf met een lichte keel. De kortstaarthoningzuiger Anthreptes seimundi is ongestreept olijfgroen, met een langere, iets gebogen snavel. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis heeft een grijze, ongestreepte kop en borst en leeft in savanne in plaats van bos. De combinatie van gestreepte borst, gele stuit en oranje poten is kenmerkend.
Leefgebied
Randen en open plekken van vochtig laaglandbos, galerijbos, secundair bos en boomrijke aanplant, vooral in hoge bomen met veel epifyten en slingerplanten. Foerageert meestal op 5–15 m hoogte en hoger in groepjes tot zeven vogels, soms met gemengde groepen. Het voedsel bestaat uit zeer kleine insecten, vooral schildluizen, en spinnen. Het nest is een ronde bal van plantenvezels met een naar beneden hangende ingangstunnel, hoog in een boom; groepsleden helpen soms bij de bouw.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied beperkt tot het noorden van Angola: Cabinda en de bosgebieden van Uíge, Zaire en Cuanza Norte, met enkele meldingen verder naar het oosten. Daarbuiten in de bosgordel van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone en Guinee tot Oeganda en het oosten van de Democratische Republiek Kongo, en op Bioko.
Hoe en wanneer kijken
Door de kleine maat en het leven hoog in de kroon een lastige soort: zoek in Cabinda en de noordelijke bossen langs bosranden en open plekken waar je in de kroon kunt kijken, en luister naar het ijle tsip van een foeragerend groepje. Een gevonden hangnest, met zijn opvallende ingangstunnel, verraadt vaak een vaste plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wijdverspreid maar gemakkelijk over het hoofd gezien. In Angola afhankelijk van het resterende laaglandbos, dat door kap en landbouw terugloopt.
Wetenschappelijke naam
Pholidornis rushiae | (Cassin, 1855)
Cassin beschreef de soort in 1855 als Diceum Rushiae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pholidornis werd in 1857 ingevoerd door Hartlaub. Pholidornis komt van het Griekse pholis (genitief pholidos), 'schub', en ornis, 'vogel' — naar het fijn geschubde of gestreepte patroon op kop en borst. rushiae eert Phoebe Ann Rush (geboren Ridgway, 1799–1857), echtgenote van de Amerikaanse psycholoog James Rush. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mondah-rivier, Gabon.

